De kunst als antwoord op het sektarisme

Mohammed Musayer maakt kunst uit de puinhopen van aanslagen, om de haatpredikers te trotseren. Deel twee van een vijfdelige serie uit Bagdad.

Eerst is er de knal, dan de stilte. Niemand spreekt. In die stilte komt de rook. De rook na een zelfmoordaanslag in Bagdad is wit, zeggen de Irakezen die er al vele hebben gezien. Zwarte rook komt van andere bommen, buitenlandse bommen. Na de stilte de stemmen, het geschreeuw en de sirenes. De politie die in de lucht begint te schieten, vaak uit blinde paniek, op zoek naar de vijand die zichzelf al heeft gedood. De agenten schieten ook om de omstanders te verjagen, om ruimte te maken voor de ambulances, de hulpverleners.

Na een uur of twee, drie, als de lijken zijn opgeruimd, het puin aan de kant geveegd, de omstanders naar huis, pas dan komt Mohammed Musayer (47) met zijn tas om de laatste resten van de ramp bijeen te rapen. Hij vindt vreemde objecten op de zwartgeblakerde puinhopen van een zelfmoordaanslag. Gesmolten plastic, verwrongen ijzer. Een strijkplank van een huisvrouw die er net een had gekocht. Laatst vond hij een wieg. Die kon hij niet laten staan. „Je weet meteen wat er is gebeurd. Het doet pijn diep in het hart.” Musayer boetseert met die resten, plakt ze aaneen, schildert er woeste kleuren overheen. Noem hem een ramptoerist. Hijzelf ziet de verzamelwoede als een kunstuiting en een manier om niet te vergeten. „Ik draag de dood altijd met me mee. Maar in deze stad is de dood overal. Iedereen draagt hem met zich mee.”

Kunst is er zelden. Samen met iedereen die nog gelooft in de toekomst van dit land, is de schoonheid het doelwit van de plegers van de aanslagen. Kunstenaars worden zelf doelwit. Mohammed Musayer begon met zijn bezoeken aan de plekken van aanslagen drie jaar geleden, toen zijn goede vriend Sermat Gazi, tevens kunstenaar, om het leven kwam bij een aanslag. Hij had de gewonden willen helpen op een plek waar net een bom was afgegaan. Toen ontplofte een tweede, en stond Sermat te dichtbij. Dat was de dag dat Musayer besloot de plekken van aanslagen te blijven bezoeken om een verhaal te vertellen dat iedereen in deze stad kent.

Musayer houdt kantoor in een rommelig atelier in Karada, een wijk van kleine winkels waar alles te koop is, van groente tot telefoons tot platte beeldbuizen. Sinds de invasie van de Amerikaanse troepen in 2003 bleven de bommen hier afgaan, ook begin deze maand nog. De levenslust van Karada is evengoed een prooi voor de ontwrichtende terreur.

Dit is de vrees van de kunstenaar. Dat Irak nu, na de parlementsverkiezingen, weer terugglipt in de handen van de haat. Na de provinciale verkiezingen, ruim een jaar geleden, leek het even dat Irak de rug naar de predikers van het sektarisme begon toe te keren, teleurgesteld over het falen van de religieuze partijen om hun beloften voor een beter leven na te komen. Maar de voorlopige uitslagen van de verkiezingen van 7 maart laten zien dat de radicale shi’itische geestelijke Muqtada Sadr veel stemmen heeft gekregen.

Dat is slecht nieuws voor de kunst en de vrijdenkers. Slecht nieuws voor Mohammed Musayer, brildragend, lang sluik haar. „Ik word tegengehouden op straat. Ze zeggen dat ik mijn haar af moet knippen.” Het zijn niet alleen sadristen, die dat zeggen. Kledingvoorschriften, de lengte van het haar, de lengte van de baard, verschillen hier per week, per wijk, afhankelijk van wie de wegversperring bemant.

Behalve het haar vreest hij vooral voor zijn werk. Musayer hoopte op de maximale vrijheid na de val van Saddam Hussein. Bijna dertig jaar lang was er voor Iraakse kunstenaars bijna geen ander brood te verdienen dan met het schilderen van portretten van de grote leider. „Ik probeerde aan dat juk te ontsnappen, schiep mijn eigen vrijheid in de dictatuur. Maar nu vertellen de religieuze leiders dat mijn werk een zonde is, haram.” Zijn atelier staat vol met vrouwelijk schoon. Blote borsten, blote billen. Zijn favoriet is het portret van een Iraakse dichteres, die in de Jordaanse hoofdstad Amman woont en vroeg om een naaktportret. Hij schilderde het, met hulp van de webcam.

Het gelach in het atelier verdrinkt in het geluid van ratelende machinegeweren verderop in de wijk. Legerhelikopters vliegen over. In Karada is de strijd altijd dichtbij. De aangekondigde terugtrekking van de Amerikaanse gevechtstroepen uit Irak, die voor 1 september een feit moet zijn, betekent een financiële strop voor deze kunstenaar. Het zijn de buitenlanders, de hulpverleners en de diplomaten van wie hij het moet hebben in de verkoop. „Irakezen begrijpen mijn kunst niet. En als ze het al begrepen dan zouden ze het niet kopen. Je zag het na de val van Saddam toen de regering moest bepalen wat ze met al die lege pleinen gingen doen waar vroeger zijn standbeelden stonden. We hebben geprobeerd om ideeën aan te dragen. Maar ze hebben geen concept van kunst.”

Nu de verkiezingen van 7 maart geen duidelijke winnaar gaan opleveren, gaat Irak een lange periode van coalitievorming en onzekerheid in. De kunstenaar vreest dat het beloofde land nog lang niet in zicht is. „We hadden zulke mooie plannen na de val. En kijk nu in welke puinhoop we moeten leven. We gaan nog moeilijke tijden tegemoet.”