Cultheld die zijn ziel verkocht

Faust was een hemelbestormer.

Pieter Steinz reisde de historische en culturele Faust na. Hier enkele van zijn bevindingen.

Er was eens een Faust, Johannes Faust. Of misschien Georg Faust, de geleerden zijn het er niet over eens. Hij leefde van circa 1480 tot 1540 en liet een dozijn directe getuigenissen na van zijn leven als alchemist, sterrenwichelaar, wonderdokter, en (volgens zijn vijanden) ‘schijtgat van vele duivels’. Sterke verhalen, die na zijn dood verder werden aangedikt en van de doctor uit Württemberg een mythische figuur maakten.

Faust werd een cultheld als de man die zijn ziel aan de Duivel verkocht – in ruil voor 24 jaar ongebreidelde kennis, macht en seks – en die daarna door zijn partner in crime Mephistopheles met veel kabaal naar de hel werd gesleept.

Zeer plastisch wordt dat beschreven in de anonieme Historia (1587), ook wel het Faustbuch genoemd, wanneer studenten de kamer van Faust betreden na een nacht ijselijk gegil te hebben gehoord: ‘Toen het vervolgens dag was geworden, gingen de studenten, die de hele nacht niet geslapen hadden, naar de kamer waar dr. Faust geweest was. Ze zagen echter geen Faust meer, niets, want de kamer was vol bloed gespat. De hersenen kleefden aan de muur, omdat de duivel hem van de ene muur tegen de andere geslagen had. Er lagen ook ogen en ettelijke tanden in het rond, een gruwelijk en angstaanjagend spektakel. [...] Uiteindelijk vonden ze zijn lijk buiten bij de mesthoop liggen, gruwelijk om aan te zien omdat zijn hoofd en zijn ledematen vermorzeld waren.’

Wetenschappers die niet in de duivel geloofden, hadden twee andere verklaringen voor Fausts dood. Hij kon het slachtoffer zijn geworden van een roofmoord, gepleegd door iemand die dacht dat de gevierde magiër veel geld in zijn kamer verborg. Of, en dat is een nóg prikkelender hypothese, Faust is omgekomen door een mislukt experiment: een paar standaardingrediënten uit de alchemistenkeuken die een explosieve verbinding aangingen. Dat zou verklaren waarom zijn lichaamsdelen her en der verspreid waren, en ook dat de studenten en de herbergier meteen aan de duivel moesten denken (de stank van zwavel werd met de hel geassocieerd). Maar je begint je dan wel andere dingen af te vragen, bijvoorbeeld hoe het kan dat de toegesnelde studenten de wanden van de kamer nog min of meer intact aantroffen.

Wát er ook gebeurd is met Faust, één ding is zeker: deze tot de verbeelding sprekende hemelbestormer is – zowel in zijn historische als in zijn algemeen culturele gedaante – een Mensch die worstelt met de uitdagingen van de 21ste eeuw: de beperkingen van scholing en studie, genetische manipulatie, het scheppen van leven, de natuurkundige Theorie van het Alles, ja zelfs de strijd tegen de zee en de uitwassen van het kapitalistische financiële stelsel. Hij is een held voor onze tijd.

Pieter Steinz: De duivelskunstenaar. (Prometheus / NRC Boeken, 248 blz. € 17,50) ligt morgen in de boekhandel