Bloeien

Vlak voordat ik het podium of podiumpje op moet om gedichten voor te lezen – een sokkel is het soms of gewoonweg een uitsparing in het publiek; met een beetje geluk is er een microfoon en op een goede dag ook iemand die weet hoe zo’n ding moet worden aangesloten – fluistert een bange stem me in me ziek te melden.

Plotselinge duizeligheid, een koortsaanval, migraine komen als mogelijkheden in me op.

Ondertussen word ik al aangekondigd. De gastheer zegt dat ik ga ‘optreden’. Het klinkt alsof ik ga zingen. Het klinkt alsof ik kán zingen.

Ik ben inmiddels duizelig, ik heb het warm, en voel een stevige hoofdpijn opkomen. Ik zie dat ik nog achter het gordijn dat langs de achterwand van het zaaltje is gehangen, kan wegkruipen.

Maar wat moeten de mensen die het podiumpje en de microfoon hebben klaargezet dan beginnen? Ik stel me hun angst voor, hun paniek dat ze zelf iets moeten gaan zeggen. Het gat in hun planning, een lege ruimte, waar het publiek naar zal staren. Een leegte die aanzwelt van paniek, die het publiek opzuigt, de zaal, de organisatoren van het optreden.

„Hohr row vah kjoehwie” zei een Amerikaan eens tegen me. Hij zat tegenover me aan tafel en had net een hap risotto genomen. Ik keek in zijn mond die lang open was blijven hangen bij de ‘vah’-klank en wist zeker dat we nooit aan hetzelfde zouden denken wanneer we ‘leegte’ bedoelen.

Hij schoof me Horror Vacui (Sarabande, 2006) toe, de debuutbundel van de Amerikaanse dichter Thomas Heise, die hierin zijn afgrijzen of angst voor de lege ruimte en de dood van zijn vader onderzoekt.

What shelter shall I resemble against

this? Could I hammer a narrow boat

from this old barn’s frame. Could I

assemble an empty boat from this

old hammered frame? Could I frame

an empty boat for this old body’s

frame? I could frame an empty body

in this old broken frame? Shall I

break an old body to fit this narrow

old frame?

In 2005 won Simon Starling de Turner Prize met zijn beeldenreeks Shedboatshed waarin hij een houten hut ombouwde tot boot, waarmee hij de Rijn opging, om ten slotte het huis weer op te bouwen van dezelfde planken.

In het huis ligt een boot besloten, zoals in elke boot een huis. In elke leegte een lichaam dat zal spreken, zoals in elk lichaam de angst voor de dood.

In een gesprek op de website BOXCAR Poetry Review (2007) zegt Heise over zijn bundel: „What does one turn to when the ‘father’ is gone, when only his empty space remains? Language. More language. Cover the body with words.”

Omdat ik banger ben voor de leegte die ontstaat wanneer ik niet op het podium verschijn dan voor het podium zelf, ga ik uiteindelijk toch maar gewoon voorlezen. Ik stap op het sokkeltje en haal diep adem.

Het is te wijten aan een volstrekt gebrek aan moed dat ik op het podium sta. Terwijl ik de microfoon tevergeefs omlaag probeer te wrikken, overvalt me de gedachte dat men het in deze wereld met lafheid nog wel eens ver zou kunnen schoppen.

Ik spreek gejaagd, om me te verschuilen achter een haag van taal. Ik ben de haag en ik bloei woorden.