Machtsstrijd in de polder

Titel: De geldpomp Auteur: Gijs Herderscheê Uitgever: Balans, 2010, 296 pag. 17,50 euro

Verbijsterd waren ze, de topmannen van de vakbeweging en de werkgeversorganisaties. Waren ze naar het ministerie van Sociale Zaken genood voor een overleg met minister Klaas de Vries (PvdA) en staatssecretaris Hans Hoogervorst (VVD), krijgen ze er te horen dat de Staat zomaar de uitvoering van de werknemersverzekeringen overneemt. Hún verzekeringen, althans zo zien zij dat.

Ze verlaten de zaal voor onderling overleg, keren later met boze koppen terug – zit die De Vries er doodgemoedereerd piano te spelen! Alsof hij niet zojuist de oorlog had verklaard aan de sociale partners. En bovendien iets had besloten wat haaks stond op wat hij in een vorige functie, als voorzitter van de SER, had aanbevolen.

Gijs Herderscheê beschrijft bovenstaand tafereel, opgetekend uit de mond van de twee bewindslieden, in De geldpomp. Het was een cruciale ingreep van het paarse kabinet in de overlegeconomie.

Herderscheê heeft de geschiedenis van de sociale zekerheid in Nederland, en dus van het poldermodel, in kaart gebracht, met als centraal thema de telkens terugkerende machtstrijd tussen overheid, vakbeweging en werkgevers.

Het besluit van Paars betekende het afscheid van GAK, SVR, SFB en wat de sociale zekerheid verder had voortgebracht aan instituten met drieletterige afkortingen. Er kwam een ander voor in de plaats: UWV. Daar hebben de sociale partners niets over te vertellen.

Het was de uitkomst van een lang proces waarvoor de kiem was gelegd bij een parlementaire enquête, die misschien wel mede was veroorzaakt door het ongemakkelijke gevoel dat Tweede Kamerlid Flip Buurmeijer (PvdA) bekroop, toen hij met zijn fractiegenoot Elske ter Veld halverwege de jaren tachtig een werkbezoek aan het GAK bracht.

Bij de lunch verschenen kelners in livrei die flinke schollen serveerden. Nota bene bij het GAK, bestuurd en gecontroleerd door de sociale partners, en eigenlijk niet meer dan een groot administratiekantoor dat bestond van premies die werknemers en werkgevers afdroegen en ervoor moest zorgen dat daarvan netjes WW-, Ziektewet- en WAO-uitkeringen werden betaald. „Ach mevrouw,” zei de topman van het GAK tegen Ter Veld, „het is vrijdag, en dan eten we graag een visje.”

Als voorzitter van de enquêtecommissie en in latere functies speelde Buurmeijer een belangrijke rol bij het weg rangeren van de vakcentrales en de werkgeversorganisaties uit de uitvoering van de sociale zekerheid. Ze hadden een machinerie geconstrueerd die ook heel goed was voor hun eigen werkgelegenheid en inkomsten.

Veelbetekenende petites histoires gecombineerd met een royale greep in de historie van de sociale zekerheid maken De geldpomp aanvankelijk interessant. De auteur maakt bijvoorbeeld een zinnig onderscheid tussen de christelijk/liberaal getinte opzet van de sociale zekerheid voor de Tweede Wereldoorlog en de christelijk/sociaal-democratische aanpak daarna.

Als journalist heeft Herderscheê de ontwikkelingen in het laatste decennium van de twintigste eeuw en daarna van nabij en ijverig gevolgd, respectievelijk voor Het Financieele Dagblad en de Volkskrant. Dat komt tot uitdrukking in een minutieuze beschrijving van de gebeurtenissen in die periode.

Zo minutieus dat De geldpomp na een tijd een stuk minder gaat boeien. Veel te vaak vervalt de auteur in herhalingen. Het lijkt erop dat de uitgever het niet nodig heeft gevonden veel aandacht te besteden aan begeleidende redactie. Iemand met een rode pen had zegenrijk werk kunnen verrichten. In plaats van een samenhangend geheel ontstaat zo aan het slot de indruk van een reeks artikelen die aan elkaar zijn gelijmd.

Het is jammer dat zo afbreuk wordt gedaan aan een boek dat in potentie nuttig, leerzaam en interessant is.