En dan breekt de hemel open

In Hadewijch leidt het geloof tot uitwassen. Verlossing is te vinden in aardse liefde.

Neem de film van Bruno Dumont niet te letterlijk.

Een van de mooiste scènes uit Bruno Dumonts Hadewijch speelt zich af in een klein kerkje. Het net uit het klooster getreden meisje Céline loopt er tijdens een van haar tochtjes door Parijs naar binnen, precies op het moment dat een gezelschap musici de aria Gebt mir meinen Jesum wieder uit Bachs Mattheüspassion repeteren. Ze dwaalt even door de kerk en gaat dan op een houten bankje zitten om naar de muziek te luisteren. Terwijl Bachs devote noten door de ruimte klinken, zoomt de camera langzaam in op het gezicht van Céline, die in vervoering raakt. Ze ervaart pure extase. De eenwording met Christus, waar ze in het klooster zo neurotisch naar streefde, overkomt haar nu gewoon.

Even later in de film gaat Céline naar een optreden van een band aan de Seine. Hier kiest Dumont (Flandres, L’Humanité) er voor om niet opnieuw het gezicht van Céline in beeld te brengen terwijl ze naar muziek luistert, maar concentreert de camera zich op de accordeonist van de groep die een ruige rockversie van Bachs Die Kunst der Fuge speelt. Dumont laat de scène lang staan, snijdt bijvoorbeeld niet weg naar shots van luisterende omstanders. Zo dringt langzaam de overeenkomst tussen de twee muzikale scènes tot je door. Beide gaan over het meegevoerd worden naar een hogere plek, het ervaren van extase, de zoektocht naar het sublieme. Net als Céline in de kerk wordt de accordeonist meegevoerd door de emotionele kracht van muziek. In beide gevallen gebruikt Dumont muziek van Bach. Hoewel het contrast groot is – een religieuze aria versus een banale Bach-adaptatie – is het resultaat hetzelfde: jezelf verliezen in iets hogers.

Hadewijch gaat over deze speurtocht naar het hogere en onderzoekt de grens tussen extase en extremisme. Wanneer en waarom leidt religieuze vervoering tot extreme daden? In de beginscènes is Céline een novice met de naam Hadewijch in een klooster in een bosrijk gebied. Wanhopig poogt ze één te worden met Christus, net als haar naamgeefster, de 13de-eeuwse Antwerpse mystica Hadewijch, die in haar spirituele gedichten en visioenen graag kond deed van haar zinnelijke samensmelting met het lichaam van Jezus. Céline/Hadewijch heeft de wereldse geneugten weloverwogen afgezworen. Toch raadt de moeder-overste haar aan terug te gaan naar de wereld en beschuldigt ze haar van hoogmoed en zelfliefde.

Eenmaal terug in Parijs sluit Céline vriendschap met Yassine en maakt ze kennis met zijn broer Nassir. In Nassir herkent ze zichzelf, ook al is hij moslim en zij katholiek. Langzaam raakt ze in de ban van zijn preken en radicale visie op het martelaarschap – de gevaarlijke kant van zelfverlies. Het leidt tot een reis naar het Midden-Oosten, een krachtige climax en een epiloog die al tot veel verwarring en discussie heeft geleid. Er hier iets over zeggen zou jammer zijn, daarom slechts de aanwijzing dat je Dumonts film niet te letterlijk of realistisch moet nemen, getuige ook de vele (religieuze) symboliek die hij gebruikt.

Hadewijch gebruikt niet alleen een fuga van Bach, maar is zelf ook een vervlechting van vele stemmen. Dumont zoekt de overeenkomsten en verschillen tussen islam en christendom, tussen het wereldse en het verhevene, tussen religieuze en aardse liefde, tussen schuld en onschuld, tussen het zichtbare en onzichtbare. Daarbij zoekt hij geen contrasten, maar de paradox, zoals Hadewijchs uitspraak dat liefde heel gewelddadig kan zijn. Dumont stelt vooral vragen en ziet af van pasklare antwoorden. Ook provoceert hij lichtjes. Zo is het klooster in renovatie, het afgebladderde geloof kan kennelijk wel een opknapbeurt gebruiken. Ook suggereert hij een overeenkomst tussen timmerman Jezus en een klusjesman die wellicht ook verlossing schenkt, hoewel Hadewijch door haar concentratie op het hogere hem niet ziet staan. Als Céline een extreem besluit neemt, breekt de hemel open en schijnt er zonlicht over haar onschuldige gezicht: een beeld uit de christelijke iconografie dat Dumont hier vilein perverteert.

Hadewijch is een anti-religieuze film. Religie is een substituut en geloof leidt alleen maar tot uitwassen. Want waarom versmelten met iemand die onzichtbaar is als je verlossing kunt vinden in aardse liefde? Als de kuise Céline Yassine krachtig omhelst, vraagt hij verbaasd: „Heb je behoefte aan liefde of zo?” Dumonts film geeft antwoord op die retorische vraag.

Hadewijch

Regie: Bruno Dumont. Met: Julie Sokolowski, Karl Sarafidis, Yassine Salime, David Dewaele. In: 6 bioscopen. ****