Een dilettant

Na de dood van Joop den Uyl stonden de kranten – ook deze – vol van artikelen over hem. Iedereen die hem gekend had, scheen zijn zegje te mogen doen. Ik dacht: zouden zijn opvolgers, Van Agt en Lubbers, die toen al, in 1987, ieder langer minister-president waren geweest dan Den Uyl, straks ook zo veel publiciteit krijgen? Zo nee, welke maatstaf is dan gehanteerd? Sympathie? Dat is geen erg professionele maatstaf.

Die vragen kwamen weer bij mij op na de dood van Hans van Mierlo. Een opmerkelijk politicus – zeker. Maar waren zijn verdiensten zó groot geweest dat alle sluizen van de publiciteit geopend leken te moeten worden? En wat mij, te midden van al die publiciteit, opviel was dat nergens de vraag werd gesteld of hij eigenlijk, tussen 1994 en 1998, wel een goede minister van Buitenlandse Zaken was geweest.

Dat was toch het toppunt van zijn carrière geweest. Of vervulling van een jongensdroom, zoals ik toen eens schreef. Nu, ik kan je verzekeren, zo was zijn reactie, dat mijn jongensdromen er heel anders uitzagen. Ongetwijfeld, maar het punt is dat hij altijd, ook na een lang en gemouvementeerd leven, een jongen was gebleven. Dat was deel van zijn charme.

Maar wás Van Mierlo een goede minister van Buitenlandse Zaken? Volgens mij niet, en wel omdat de eigenschappen die hem zo aantrekkelijk maakten, niet per se geschikt waren voor de diplomatie. ‘Van cafécultuur naar diplomatie’ luidde de kop boven het artikel dat ik bij zijn aantreden als minster in 1994 schreef. De cafécultuur is een praatcultuur, en Van Mierlo was een groot prater – zij het een prater met originele ideeën. Voortdurend was hij aan het filosoferen. Hij domineerde het gesprek, zonder een dominerend iemand te zijn. Integendeel: hij kon ook goed luisteren, maar het was moeilijk om zijn woordenstroom te onderbreken. En ik beken dat ik soms moeite had er met mijn gedachten bij te blijven.

Die cultuur bracht hij mee op Buitenlandse Zaken. Dat kan stimulerend zijn, maar ambtenaren willen dat er op een goed ogenblik besluiten genomen worden. En zeker willen zij dat de minister niet de ene dag met ideeën komt die afwijken van die van de vorige dag. Maar dat was met het perpetuum mobile Van Mierlo niet zo gemakkelijk. Zijn ware gespreksgenoten op BZ waren zijn speech writers, hoewel allen hem als mens mochten.

Nog moeilijker was dat in het buitenland. Joep Bik, toenmalig diplomatiek correspondent van deze krant, reisde eens met hem mee door de Baltische landen. De ene dag zei hij tegen zijn gastheren dit, en na een nachtje slapen – of gesprekken met mee reizende journalisten aan de bar – zei hij weer wat anders. Wat is nu eigenlijk Nederlands politiek?, vroegen zich zijn gastheren af. Dat mag natuurlijk niet gebeuren.

Ook met machtigere collega’s wilde hij graag filosoferen. Zo stelde hij zijn Britse collega, Douglas Hurd, eens voor om een avond, met de voeten op tafel, vrijblijvend te praten over de wereldproblemen. An interesting idea, vond de minzame Hurd, zoals Van Mierlo later vertelde, niet wetend dat dit de Britse code was voor: ik kan mijn tijd wel beter gebruiken.

Na zijn heengaan als minister benoemde het kabinet hem tot lid van de conventie die, onder leiding van Giscard d’Estaing, een Europese ‘grondwet’ in elkaar moest timmeren. Hij dacht dat het een praatclub zou worden, waarin hij zich thuis zou voelen. Maar nee, er moest eindeloos onderhandeld worden over wetsteksten, waarbij geschillen over formuleringen veelal verschillen tussen nationale belangen maskeerden. Na een paar jaar hield hij het voor gezien en gaf hij het stokje over aan de liberale professional Gijs de Vries.

Niet dat zijn ideeën slecht waren. Buitenlandse Zaken kon wel een frisse wind gebruiken. Als gallofiel zocht Van Mierlo toenadering tot Frankrijk. Nederland moest een plaats in de Frans-Duitse oksel vinden, was een van zijn originele, maar in dit geval minder gelukkige uitspraken. Helaas was Frankrijk noch Duitsland geïnteresseerd in zo’n indringer. Bovendien beschouwden de Fransen Nederland als een ‘narcostaat’. Einde van Van Mierlo’s droom.

Als binnenlands politicus was hij eigenlijk ook niet zo geslaagd. In elk geval heeft D66 de ‘kroonjuwelen’, zijn reden van bestaan, nog steeds niet binnen – ook wel doordat, toen D66 in 1994 kans kreeg staatsrechtelijke hervormingen door te voeren, Van Mierlo voor Buitenlandse Zaken koos. Maar blijkbaar voelden zijn aanhangers zich niet bekocht, want zijn gezag in eigen kring bleef groot.

Ontegenzeglijk had hij de gave van het woord en waren zijn ideeën vaak oorspronkelijk. In 1995 hield hij een indrukwekkende rede over onze verhouding tot Duitsland, vrij van de clichés die bij zo’n gelegenheid verwacht worden, vrij ook van de paradoxen waartoe hij anders vaak zijn toevlucht nam wanneer hij er niet uitkwam en die bij velen als teken van diepzinnigheid golden – bij hemzelf waarschijnlijk niet: daar had hij te veel zelfironie voor.

Met die gaven zou hij een voortreffelijk journalist zijn geweest, hoewel hij in de paar jaar dat hij dit vak uitoefende, meer anderen tot schrijven inspireerde dan dat hij dat zelf deed. In feite was hij een dilettant – dat is de schakel, de middelaar tussen de deskundige en de leek, degene die de moeilijke problemen van wetenschap of politiek zo probeert te vertalen dat ze enigszins begrijpelijk worden voor een groot publiek.

In zoverre zijn alle journalisten dilettant, incluis de schrijver van deze regelen. Het verklaart mede de sympathie die hij voor de overledene had, al kan sympathie geen maatstaf in de journalistiek zijn. In de politiek trouwens ook niet.

U kunt reageren via nrc.nl/heldring