Ecce mini-homo

Stel, ik zet een tinnen soldaatje neer bij een beukenboom. De beschouwer ziet een tinnen soldaatje bij een beukenboom en zal, als hij in een goeie en kunstzinnige bui is, misschien denken: Wat een belachelijk ventje. Of David en Goliath. Of hoe nietig de mens.

Ik kan nog een bloedvlek schilderen onder de neus van het ventje om de kunstgenieter te dwingen tot een vleugje sympathie. Natuurgeweld, zal hij denken. Wrede miniatuurwereld of schertsvertoning, alle associaties zijn welkom. Zelfs het woord doodsstrijd zou in hem kunnen opkomen. Een poppetje naast een boom brengt veel teweeg.

Waar iets wordt teweeggebracht is de kunstenaar niet ver meer. Ook Jon Pylypchuk, de Canadese kunstenaar, zet poppetjes onder bomen neer. Hij maakt soldaten op poppenhuisformaat. Hij bouwt poppenhuizen van hout, lijm, nepbont, wattenproppen, touw en afval. Hij knutselt kleine slagvelden in elkaar met kleine mensjes in gevechtstenue. Het effect is bloederig en wreed. We denken er hetzelfde bij als de beschouwer die naar het tinnen soldaatje onder de beukenboom kijkt. Alleen in het kwadraat. Alleen honderdvoudig versterkt. Wat een verdomd belachelijke ventjes. Hoe gruwelijk nietig de mens.

Het effect wordt versterkt door de onbenulligheid van de figuurtjes. Door hun kleuterschool- en figuurzaaggehalte, zal ik maar zeggen. ’t Is grappig en toch ook wel ‘ergens’ kunst. Bonsai, poppenhuis, Pylypchuk doet iets met je blik. Goedkope materialen stemmen je extra gunstig.

Daar zouden de musea, galerieën en kaartjesverkopers tevreden mee moeten zijn. Maar neen. Aangestapt komen al, met driftige tred, de schriftgeleerden, verduisteraars, wolkenstapelaars, knopenleggers en blaasmachines.

Te eenvoudig, dat kan geen kunst zijn. Hoe moeten we dus kijken naar Pylypchuk? Hoe begrijpen we Pylypchuk?

„Doordat hij het ondenkbare (of ontoelaatbare) in een sub-humane vorm transponeert, worden Pylypchyks figuren neutrale doelwitten van emotionele verdringing”, schrijft een kunstgeleerde op de informatiepagina van de Saatchi Gallery. ’t Is nog de minst onbegrijpelijke zin op die pagina. Er wordt ook gerept van „het reduceren van het morele raffinement van de wereld der volwassenen tot een kunsteloze eenvoud” en „de getuigenis van het streven, tegen beter weten in, van een underdog naar een zinvol bestaan in een barbaarse wereld”.

Je weet zeker dat hier drie keer hetzelfde wordt gezegd zonder door te hebben wat precies. Een darwinistische hiërarchie schuilt er ook nog in zijn werk en, hoera, alles bij Pylypchuk getuigt van een patchwork onschuld, maar ach, de beschouwer is zijn onschuld kwijt.