Bibliotheek

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

Ik had twee maanden tot het leao-examen in mei. Sinds mijn ontslag in de haven had ik alle tijd vrij voor de studie. Elke ochtend als Jolanda naar haar werk vertrok, ging ik aan de keukentafel zitten en opende mijn studieboeken. Eigenlijk wilde ik een nieuwe baan zoeken, maar Jolanda stond erop dat ik deze tijd voor mijn opleiding zou gebruiken. „We betalen toch geen huur meer. Ik houd nu genoeg salaris over om ons tweeën te onderhouden.” Ik hield mij aan een strak schema. Ik zette eerst genoeg koffie voor een hele ochtend en ging daarna aan de slag met vier van de zes eindexamenvakken: Nederlands, aardrijkskunde, wiskunde en handelskennis I. Om twaalf uur ging ik de deur uit en bracht een kort bezoek aan mevrouw Van den Oever in het verzorgingstehuis. Bij terugkomst stortte ik mij op Engels en machineschrijven. Tegen vier, vijf uur kwam Jolanda thuis en was ik klaar voor de dag.

Ik hield deze dagindeling lange tijd vol, totdat ik steeds vaker bezoek kreeg van Mustapha. Hij had sinds zijn ontslag weinig omhanden. ’s Nachts zat hij met andere jongens die ontslagen waren in de kroeg en als hij de volgende dag zijn roes had uitgeslapen, slenterde hij doelloos door IJmuiden. Als hij IJmuiden op en neer was gelopen, belde hij bij mij aan. Ik kon hem niet de toegang weigeren, maar erg welkom was hij niet. Hij wilde praten en klagen over het ontslag en hield mij daardoor van het studeren af. Mustapha was blijven hangen in het ontslag en kon er alleen met bitterheid over spreken. Dat had zijn weerslag op mij. Ik werd er ook somber van. Ik moest een plek zoeken waar ik mijn routine ongestoord kon voortzetten. „Ga in de leeszaal van de bibliotheek studeren”, zei Jolanda. „Daar mag je alleen maar fluisteren.”

De bibliotheek bezocht ik wel eens om een naslagwerkje te lenen, maar nooit om er te studeren. De leeszaal bleek een uitstekende plek te zijn voor iedereen die rust zocht. De koffie uit de automaat was niet even lekker als de koffie die ik thuis zette, maar voor de rest kon ik er prima leren. Ik was niet de enige die gebruikmaakte van de leeszaal. De bezoekers vielen in twee categorieën uiteen: tieners en mensen van boven de vijftig. Ik was een van de weinigen die qua leeftijd tussen die twee groepen in zat. Een paar van de ouderen kwamen regelmatig in de leeszaal. Een van hen zat er net als ik dagelijks. Hij had altijd dezelfde plastic tas bij zich vol met schriften en boeken die hij op tafel uitstalde. Zodra hij aan tafel zat, begon hij direct met lezen en aantekeningen maken. Hij keek alleen op om een rook- en koffiepauze te houden. Tijdens een van die pauzes die hij voor de ingang van de bibliotheek hield, knikte ik hem glimlachend toe. „U bent hier ook elke dag hè,” zei ik. „Al jaren,” antwoordde de man.

„Mag ik vragen wat u precies doet?” „Ik ben aan het studeren.”

„Studeren? Maar u bent toch veel te oud om te studeren?” „Je bent nooit te oud om te studeren.” „Ik studeer voor mijn leao-examen. Daarna ben ik wel even klaar met leren.” „Nou, ik ben inmiddels bezig met mijn derde studie. Ik schrijf nu mijn doctoraalscriptie over het werk van de IJmuidense dichter Adriaan Morriën.”

We stelden ons aan elkaar voor. Hij heette Jan Schaap. Samen liepen we terug naar de leeszaal. Daar liet hij mij zijn boeken en schriften zien en probeerde mij duidelijk te maken waar hij mee bezig was. Daarna pakte hij een boekje van tafel, sloeg het open en fluisterde een gedicht van deze Adriaan Morriën. Ik begreep er weinig van, maar het klonk mooi.

„Hier kan ik tot mijn laatste dag mee bezig zijn”, fluisterde de man gelukzalig. „Dus vergeet niet: je bent nooit te oud om te studeren.”