Wie is er eigenlijk nog multicultiknuffelaar?

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de betekenis van multiculturalisme.

Theedrinkende multicultiknuffelaar. Overal waar de naam Job Cohen nu wordt genoemd, valt ook wel ergens de geuzennaam die Geert Wilders hem heeft gegeven. Soms als grap, maar even vaak zoals het bedoeld is: als ondubbelzinnige diskwalificatie van de oud-burgemeester en zijn partij. Aan de effectiviteit van dergelijke politieke brandmerken hoeft niet te worden getwijfeld. In een door oneliners gedomineerd debat beklijft het negatieve stempel van een tegenstander al gauw: iedereen kent Maxime Verhagen inmiddels als ‘rat’, Harry van Bommel als ‘womanizer’ of Wouter Bos als ‘draaier’. Agnes Kant ging uiteindelijk zelfs ten onder aan haar imago als ‘boze tante’.

Met de term ‘multicultiknuffelaar’ wordt nu ook Job Cohen op behendige wijze gereduceerd tot soundbite en vereenzelvigd met het multiculturalisme uit de jaren 90 – een politiek die door velen geassocieerd wordt met slap gedoogbeleid, tolerantie van verwerpelijke opvattingen en ontkenning van de superioriteit van westerse waarden. Nu is Cohen, in vergelijking met Wilders, onmiskenbaar een zachtmoedig politicus – zeker als het gaat om de integratieproblematiek. Zo benadrukte hij vlak na de aanslagen van 11 september dat integratie van immigranten van twee kanten moet komen: niet alleen aanpassing aan ons, maar ook acceptatie van hen is vereist, zei Cohen. Bovendien ziet de oud-burgemeester – ook al is hij zelf seculier – daarin een belangrijke rol weggelegd voor religie, waar volgens hem een „bindende kracht” van uitgaat.

Maar de grote vraag blijft: is Cohen, zoals Wilders beweert, een multiculturalist? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst duidelijk zijn wat het multiculturalisme precies inhoudt. Zoals voor ieder ‘isme’ geldt ook voor het multiculturalisme dat een eenduidige definitie moeilijk te geven is. Daarvoor bestaan er simpelweg te veel verschillende varianten en interpretaties van, ook al is het nog een betrekkelijk jonge politieke ideologie. Niettemin zijn er wel twee basisbeginselen te onderscheiden die aan alle vormen van multiculturalisme ten grondslag liggen, schrijft de Canadese filosoof Wil Kymlicka in Multicultural Odyssee (2007), een standaardwerk op dit gebied.

Het eerste en belangrijkste uitgangspunt is de afwijzing van het idee dat er een homogene natie bestaat die toebehoort aan een dominante etnische of culturele bevolkingsgroep, aldus Kymlicka. Geen enkele natiestaat in de wereld is ooit daadwerkelijk monocultureel geweest – op IJsland, Portugal en Noord- en Zuid-Korea als bekendste uitzonderingen na. Toch was het tot de jaren vijftig vrijwel overal gemeengoed om ter bevordering van de sociale cohesie het land als etnische en culturele eenheid voor te spiegelen en de nationale taal, identiteit, geschiedenis, cultuur en religie als norm voor alle inwoners te stellen.

Vanaf de jaren vijftig kwam daar echter langzaam maar zeker verandering in. De Tweede Wereldoorlog had het nationalisme ernstig in diskrediet gebracht: denken in termen van een homogene natie bleek niet bevorderlijk maar juist een groot gevaar voor de sociale cohesie. Uit oogpunt van veiligheid werd daarom een begin gemaakt met de Europese integratie, waardoor de relevantie van landsgrenzen afnam en de immigratie juist sterk groeide. Bovendien eisten culturele en etnische minderheden officiële erkenning van hun afwijkende groepsidentiteit om marginalisering te voorkomen.

Hierdoor ontstond, naast de afwijzing van een homogene natie, het tweede essentiële uitgangspunt van het multiculturalisme: de toekenning van specifieke groepsrechten aan minderheden. De visie op hoe sociale cohesie tot stand moest worden gebracht, was namelijk omgedraaid: aanpassing aan een dominante meerderheid werd vervangen door het bevorderen van gemeenschapszin onder minderheden onderling.

Zo ontstond het idee van het tegenwoordig als paradoxaal beschouwde ‘integratie met behoud van eigen cultuur’: het in stand houden van diversiteit werd niet langer als bedreiging maar juist als voorwaarde voor sociale samenhang beschouwd en dus actief door de overheid aangemoedigd. Zo kwamen er uitzonderingsregels voor minderheden op het gebied van omgangsvormen, kledingsvoorschriften en feestdagen en werden er subsidies ingesteld ter ondersteuning van het behoud van de eigen etnische of religieuze identiteit.

Het multiculturalisme kan, kortom, worden samengevat als een politieke ideologie die een actieve bevordering van culturele diversiteit voorstaat door middel van de toekenning van verschillende rechten aan verschillende minderheden zonder daarbij een dominante nationale cultuur als leidend te beschouwen. Uitgaande van deze definitie moet de conclusie wel luiden dat Job Cohen geen multiculturalist is. Sterker nog, in deze zin is nagenoeg geen enkele politicus of partij in Nederland tegenwoordig nog aanhanger van het multiculturalisme – op misschien een enkeling in de fracties van GroenLinks en D66 na.

De meeste partijen zijn sinds 2001 namelijk grotendeels of volledig afgestapt van het principe van integratie met behoud van eigen cultuur. Geen enkele partij is nog officieel pleitbezorger van verschillende groepsrechten voor verschillende minderheden en nagenoeg allemaal zijn ze nu in meer of mindere mate voorstander van aanpassing aan een aantal nationale kernwaarden met bijbehorende omgangsvormen. Verschil in opvatting bestaat eigenlijk alleen over de manier waarop dat het beste kan worden bewerkstelligd, maar culturele diversiteit als voorwaarde voor sociale cohesie – zoals het multiculturalisme van oudsher predikte – wordt door niemand meer als uitgangspunt gehanteerd. Integendeel, te veel culturele diversiteit wordt van links tot rechts erkend als een voorname bron van sociale spanningen en wantrouwen.

Job Cohen is hierop geen uitzondering. Ook hij beschouwt de westerse waarden, zoals autonomie van het individu, gelijkwaardigheid van man en vrouw en de democratische rechtsstaat als normatief: die waarden moeten via een dialoog aan allochtonen worden overgebracht, stelde hij in zijn Abel Herzberg-lezing eind 2001. In diezelfde lezing – en vele toespraken daarna – sprak Cohen zich ook expliciet uit tegen de gedoogcultuur die had geleid tot een ‘alles-moet-kunnen-mentaliteit’. Goedkeuring van intolerante tradities „omdat het in hun cultuur gebruikelijk is”, was wat Cohen betreft dan ook niet aan de orde. De PvdA, waarvan Cohen straks partijleider is, heeft bovendien verplichte taal- en inburgeringscursussen opgenomen in het partijprogramma.

Al deze standpunten – westerse waarden als norm, geen gedoogbeleid en verplichte inburgering – zijn stuk voor stuk niet te rijmen met het multiculturalisme uit de vorige eeuw.

Waarom spreekt Geert Wilders dan toch van een ‘multicultiknuffelaar’? De reden daarvoor is waarschijnlijk dat de PVV, anders dan de PvdA, streeft naar het tot stand brengen van een monocultuur door het sluiten van de grenzen, het aanmoedigen van vrijwillige remigratie en het verplichten van volledige assimilatie. Daarin staat de PVV helemaal alleen. Alle andere partijen beschouwen culturele diversiteit op zichzelf namelijk als onvermijdelijk: Nederland kent nu eenmaal vele nationaliteiten, religies en wereldbeelden en dat zal altijd zo blijven. Hoewel deze verschillen niet langer actief worden aangemoedigd, zoals vroeger, wordt ook niet geprobeerd ze volledig op te heffen.

In die zin hangen de meeste partijen, van de SP tot de VVD, dus wel een bepaald soort multiculturalisme aan – ook wel het ‘universalistische multiculturalisme’ genoemd. Anders dan het pluralistische multiculturalisme uit de vorige eeuw, waarin specifieke groepsrechten gebaseerd op culturele verschillen centraal stonden, beroept de universalistische variant zich juist op algemeen geldende mensenrechten. Deze rechten – waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en autonomie – staan in theoretische zin boven culturele rechten en tolereren in die zin dus geen onderscheid tussen verschillende groepen. Maar vertaald naar de praktijk laten ze wel ruimte voor culturele verschillen.

Dat is logisch, want als die verschillen er niet zouden zijn, waarom zou men dan überhaupt vrijheid, gelijkwaardigheid en autonomie als kernwaarden huldigen? Zonder culturele diversiteit worden die waarden een lege huls: de mens is dan vrij te denken en te doen zoals ieder ander. Van vrijheid en autonomie is dan in feite geen sprake. Of, zoals Cohen het ooit formuleerde: „Juist voor onze samenleving is het moeilijk om andere normen en waarden niet te tolereren. Want door die niet te tolereren, loop je het risico je eigen normen en waarden onderuit te halen.” Als die conclusie hem een ‘multicultiknuffelaar’ maakt, lijkt me dat alles behalve een diskwalificatie.