Vreemde neger

Het was 1964 en ik was in de kost gedaan bij familie van mijn vaders tweede vrouw. Die familie maakte deel uit van de Indische scene van Haarlem.

Ik kwam uit Den Haag. Daar woonden veel Indo’s en ik was bekend met de heimweecultuur van Tong Tong en de Pasar Malam in de residentie. Dat ook in Haarlem op grote schaal heimwee naar Indië werd beleden, had ik niet verwacht. Mijn verbazing sloeg om in ongemak toen mij, vers in deze stad, werd gevraagd mee te doen aan een ‘Indische avond’.

Een ‘tante’ – iedereen heette oom of tante – gaf me twee schoteltjes met op elk een brandende kaars. Die moest ik, zonder ze te laten vallen, om mijn lichaam heen bewegen. Dat lukte, waarop ze vroeg of ik een Balinese dans wilde doen.

Misschien was ik er lichamelijk lenig genoeg voor, geestelijk was ik dat niet. Ik had niets met Bali. De andere jongeren die met mij waren uitgenodigd, hadden ook niks met Bali, dus dat viel af. Dan moesten we maar iets doen wat jongeren aansprak, zei de tante.

Er was net een film uitgekomen die onder jongeren populair was. Daarin werd de sirtaki gedanst. Dat moesten wij dan maar doen, de sirtaki dansen. Tegenspraak was zinloos.

In een zaaltje in een Haarlemse nieuwbouwwijk stond een podium. Langs de muur waren tafels neergezet met Indische lekkernijen. Hapjes waarvan werd gezegd dat Hollandse mensen ze niet bliefden. Lemper bijvoorbeeld, dat was te kleverig, soto, te onbekend of tjendol, te glibberig.

Het cabaretnummer voorafgaand aan de sirtaki was voor de meeste jongeren onverstaanbaar want gesproken in het petjoh, de Nederlands-Maleise mengtaal van de indo’s. De oudjes lachten zachtjes.

Na de sirtaki voelde ik mij nog eenzamer dan daarvoor. Wat had ik met deze mensen gemeen anders dan wat extra pigment en het land waar ik was geboren?

Indische mensen waren in de minderheid in Nederland, maar nog meer in de minderheid waren de Surinamers. Er was één neger in de zaal. Hij zou zich ook wel buitenstaander voelen, dacht ik.

Ik ging naast hem staan aan tafel en schepte wat op mijn bord. Of hij zich hier niet ontheemd voelde? Hij keek vol onbegrip. Vond hij dan de sirtaki op een Indisch feest niet gek? Hij: „Geen probleem.” Of hij dan dit geen uitheems voedsel vond. Hij: „De soto is anders dan in Suriname, maar ook lekker. De rempejek heet bij ons peje en de tjendol, dawet.”

Ik ging weer terug naar mijn stoel en overpeinsde de vraag hoe iemand die mij zo vreemd was, ons zo gewoon kon vinden.