Ruzie Duitsland en Frankrijk bedreigt de EU

Nu de euro op de proef wordt gesteld, is Frans-Duitse coördinatie van belang. Het gebeurt niet, aldus Joschka Fischer.

Wat is er toch met Angela Merkel aan de hand? Nog maar kort geleden geroemd als ‘mevrouw Europa’, lijkt ze inmiddels steeds meer Frau Germania. In plaats van resoluut het voortouw te nemen in de financieel-economische wereldcrisis, kruipt de grootste economie van de Europese Unie in haar schulp.

Duitsland was altijd de motor van de Europese eenwording, overeenkomstig zijn politiek-economische belangen. Ter bevordering hiervan was elke regering van na de Tweede Wereldoorlog altijd bereid de Duitse financiële kracht in te zetten, dat wil zeggen de rekening voor Europa te voldoen.

Het motto was eenvoudig: Duitsland geeft, maar heeft daar zelf weer baat bij. Slaat Duitsland het eerste deel van dit recept over, dan zal de Europese zaak ernstige schade lijden – evenals de Duitse nationale belangen. Toch lijkt bondskanselier Merkel deze weg in te slaan.

Naar aanleiding van de Griekse crisis sprak Merkel zelfs publiekelijk over de noodzaak om leden van de eurozone die zich niet aan de regels houden te kunnen buitensluiten. Denkt ze nu echt dat de euro en de EU zo’n strafmaatregel zouden overleven? In plaats van ideeën aan te dragen voor een versterking van de solidariteit en stabiliteit van de eurozone, komt Berlijn met onzinnige voorstellen.

Al even onrealistisch is de gedachte dat Duitsland alleen financiële solidariteit met verzwakte leden van de eurozone zou tonen als ze instemmen met draconische maatregelen. Door dat soort maatregelen zou de deflatie in deze landen, die de belangrijkste markten voor de Duitse export zijn, alleen maar verergeren.

Essentieel is de juiste combinatie van stabiliteit en financiële steun, ook al is het laatste impopulair bij het Duitse publiek. Natuurlijk moeten de lidstaten van de eurozone ook de moed hebben de vertrouwenscrisis rond de gemeenschappelijke munt tegemoet te treden met een gecoördineerde actie tot strengere controle van de nationale begrotingen en betere samenwerking. Maar als eerste stap moet Griekenland hulp krijgen op grond van de financiële solidariteit van de EU-regeringen.

Anderzijds is de buitenlandse kritiek op de ‘Chinese afmetingen’ van het Duitse handelsoverschot ongegrond. Die kritiek gaat voorbij aan twee belangrijke verschillen: ten eerste kan Duitsland, anders dan China, als lid van de eurozone, zijn munt niet devalueren. Ten tweede gaat de Duitse ‘export’ hoofdzakelijk naar de EU.

De eis dat Duitsland zijn concurrentiekracht niet meer zou mogen verhogen – of zelfs zou moeten verlagen – is ronduit bizar. Van 1990 tot 2005 had Duitsland te kampen met een hoge werkloosheid, een trage groei en een laag concurrentievermogen, en daar heeft de Europese economie van te lijden gehad. Het herstel ging moeizaam, maar de gemeenschappelijke markt heeft van de hernieuwde Duitse concurrentiekracht geprofiteerd.

Het wezenlijke punt is niet de hernieuwde kracht van de Duitse economie, maar of Duitsland deze kracht zal aanwenden in het belang van Europa of in zijn eigen belang. Helaas lijkt Merkel tot het tweede te hebben besloten, want dat brengt minder binnenlandse politieke risico’s met zich mee.

De verantwoordelijkheid voor het huidige conflict in de EU ligt bij de regeringen van de eurozone, maar vooral bij Duitsland en Frankrijk, de twee sterkste economieën van deze zone. Maar in plaats van de leiding te nemen, vliegt het Frans-Duitse paar elkaar doorlopend en publiekelijk naar de keel. De ruzie gaat nu dan wel over de vraag wie de hervorming van Griekenland moet betalen, maar het echte probleem is het latente wantrouwen tussen de twee partners, dat het gevaar van een blijvende verwijdering in zich draagt.

Uit Duits gezichtspunt wil Frankrijk alleen maar op kosten van Duitsland de problemen met zijn nationale begroting en staatsschuld oplossen, en zo meteen de Duitse concurrentiepositie verzwakken. De Franse regering is daarentegen bang dat de Duitse inzet op stabiliteit in de eurozone een truc is om Frankrijk in een hoek te duwen en economisch op achterstand te zetten.

Sinds in de herfst van 2008 de wereldcrisis uitbrak, kampt zowel Merkel als de Franse president Sarkozy met de dreiging de politieke meerderheid kwijt te raken als ze ten behoeve van een Europees compromis hun nationale belangen opzijzetten. Frankrijk kan alleen tegemoetkomen aan de Duitse stabilisatiedoelstellingen als Sarkozy zijn herverkiezing uit zijn hoofd zet. Merkel kan op de verontwaardiging van haar conservatieve kiezers (en op een nederlaag bij het Duitse constitutionele hof in Karlsruhe) rekenen als ze zou instemmen met een ruimere bestedingspolitiek, met inbegrip van rechtstreekse financiële steun aan Griekenland.

Binnenkort viert Helmut Kohl, ereburger van Europa en Duits kanselier van de hereniging, zijn 80ste verjaardag. Zoals gebruikelijk bij zulke gelegenheden zullen er heel wat verheven toespraken over Europa worden gehouden. Maar gelet op de huidige situatie kunnen we daar veilig aan voorbijgaan. Wat Europa in deze ernstige crisis nodig heeft zijn staatsmannen en -vrouwen van het kaliber Kohl, geen binnenlandse politici.

Als de grote economische en politieke winnaar van de eurozone mag vooral Duitsland de Europese zaak niet laten bedreigen door een ernstige vertrouwenscrisis, omdat bijna tweederde van zijn export naar de EU gaat. Sinds de val van Lehman Brothers in september 2008 is het duidelijk dat de wereldcrisis ook de EU en de euro op de proef zou stellen, omdat Europa geen gezamenlijke regering en begrotingspolitiek heeft.

Van des te meer belang is daarom de coördinatie binnen de eurozone – vooral tussen de belangrijkste economieën, Frankrijk en Duitsland. De strategie voor het crisisbeheer in de eurozone zal in de eerste plaats in Berlijn en Parijs moeten worden vastgesteld.

Joschka Fischer was van 1998 tot 2005 Duits minister van Buitenlandse Zaken en vicekanselier, en was bijna 20 jaar voorman van de Duitse Groenen.