Nog altijd een baken voor zwarte kunst

In de jaren ’30 werden in de VS overal centra opgericht om kunstenaars werk te verschaffen. Nog één is er over in Chicago. De werken slingeren er rond maar de wil tot overleven is groot.

Waar bezoekers van het South Side Community Art Center een vervallen pand in een gevaarlijke achterstandsbuurt vol dichtgetimmerde woningen zien, constateert Margaret Burroughs een „levendige zwarte gemeenschap. Het heet hier niet voor niets Bronzeville: hier wonen bronskleurige mensen, alle blanken zijn gevlucht.”

Waar bezoekers binnen het ontbreken van centrale verwarming opvalt, wijst de gemutste Burroughs liever op de houten wandpanelen vol punaisegaten. „Elk gaatje laat zien waar ooit kunst heeft gehangen. Dat straalt geschiedenis en warmte uit.”

En waar bezoekers de huidige Amerikaanse economische neergang pogen te vergelijken met de Grote Depressie, de tijd dat dit kunstcentrum werd opgericht, haalt Burroughs haar schouders op. Dat was de gewoonste zaak van de wereld, zegt ze, de armoede van toen. „Achteraf zeiden ze dat we droog brood hadden moeten eten. Maar voor ons was dat het normale leven; we kenden niets anders.”

Margaret Burroughs, nu 93 jaar, zit in een van de expositieruimtes van het South Side Community Art Center in Chicago. Ze heeft een heldere dag en herinnert zich hoe dit kunstcentrum werd opgericht, als eerste in heel het land exclusief gericht op zwarte kunstenaars zoals zijzelf. Ze benadrukt triomfantelijk dat dit het enige overgebleven kunstcentrum is van de honderd die destijds als werkverschaffing door de Amerikaanse overheid zijn opgericht. Het is een plek waar de economie- en kunstgeschiedenis samenkomen en Burroughs is de laatste persoon die het nog kan navertellen.

Een jaar geleden kondigde president Obama het grootste Amerikaanse stimuleringsplan aan sinds de Depressie, maar de WPA-steun voor de kunsten van toen lijkt het tegendeel te zijn van de huidige ingrepen. De doelen waren destijds helder omschreven: steunen van sectoren die niet werden aangedreven door de private sector en het benadrukken van de relatie tussen kunst en de reële wereld.

Een van de manieren om de kunst bij de mensen te krijgen was via zogeheten ‘community art centers’. Het centrum in Chicago werd door de kunstkring, waar de toen 22-jarige Margaret Burroughs deel van uitmaakte, opgericht. De kunstenaars kochten het pand, de overheid betaalde de rest. Toen de oorlogsindustrie in 1943 de Depressie beëindigde, sloten de meeste. Enkele ontwikkelden zich tot lokale musea, maar de vestiging in Chicago bleef in hetzelfde pand, met dezelfde boodschap voortbestaan. Het pand was afbetaald en de kosten werden laaggehouden.

Volgens Burroughs, schilderes, printmaakster en dichteres, is het laatste WPA-centrum van het land een florerend museum en met ateliers voor kunstenaars.

Faheem Majeed ziet dat genuanceerder. Hij is uitvoerend bestuurder van het pand wat in de praktijk betekent dat hij stralingskacheltjes aanzet als er bezoekers komen en groepjes studenten begeleidt die muren komen verven. „Niemand weet hoeveel werken we eigenlijk hebben.” Het is geen enkel probleem een recent werk aan te wijzen, van de muur te pakken en Faheem daar een prijs ver beneden de marktwaarde voor te betalen. Elke dollar is welkom. Of, zoals het bord bij de voordeur zegt, „Donations accepted”.

Het is particulieren volgens de wet niet toegestaan WPA-kunst te bezitten of te verhandelen – het is immers overheidsbezit. Dat vergrootte destijds de prijzen aanzienlijk: aan het einde van de New Deal, midden in de oorlog, kochten gewiekste musea werken aan en is het overzicht verloren.

En dan loopt Faheem een trappetje af, naar een niet weerbestendig gemaakte opslagruimte in de kelder. Hij komt terug met een werk van Charles White waarop een man door een graanveld loopt, de handen ten hemel geheven. Typisch WPA. Het was de tijd van de Amerikaanse Renaissance, volgens sommigen. Anderen beoordelen de stroming als weinig meer dan overheidspropaganda. Hoe dan ook: het is een in financieel opzicht waardevol werk, en daar staat het tegen de muur.

In de beginjaren was er geen vraag naar de werken van de zwarte kunstenaars die hier werkten en samenkwamen. De missie is onveranderd gebleven: „Wij zijn hier om de kunstenaars te steunen.”

Burroughs loopt, jas aan, muts nog steeds op, richting de deur. Ze woont letterlijk aan de overkant van de straat en overweegt vanmiddag te gaan rolschaatsen. „If you don’t use it, you lose it”, zegt ze. „Ik kan het me niet veroorloven al dood te gaan.”

Faheem Majeed weet dat ook het Community Arts Centrum dóór moet. „Soms ben ik bang dat we nergens naar toe gaan met deze plek. Overleven, dat lukt wel. Maar floreren, dat is al decennialang ons probleem.”

Zie verder www.southsidecommunityartcenter.com