Lege restaurants

Ik liep door de Plantagebuurt in Amsterdam. Een zachte avond, lente, het leven was weer begonnen. Voorbijgangers die hun jas lieten openhangen, jonge mensen op een terrasje, lachende stemmen.

Het was zeven uur, etenstijd. In de Plantage Kerklaan keek ik wat restaurants binnen. Aan de ene kant waren er vier naast elkaar, een Indonesiër, een Japanner, een Italiaan en een Chinees. Aan de overkant was één zaak, een pizzeria. Pas toen ik ze allemaal gepasseerd was, drong het tot me door dat er vrijwel niemand zat te eten. Ik maakte een ommetje en keerde een half uur later naar deze plek terug. Nog steeds hetzelfde beeld: weinig eters.

Toen schoot me het bericht te binnen dat ik onlangs had gelezen: het gaat slecht met de horeca, omzetdalingen bij hotels, cafés en restaurants. Soms heb je een illustratie nodig om zo’n bericht te onthouden, dit was er een. Een mooie, beloftevolle avond in een van de betere buurten van Amsterdam, maar veel restaurants bleven leeg.

Wat kun je als eigenaar doen? Niets. Wachten.

Bij pizzeria Pasta Villa ging de eigenaar op de drempel van zijn zaak staan. Hij wierp een hoopvolle blik op iedere naderende passant. Om geen valse hoop te wekken keek ik de andere kant op.

Misschien moet ik hier een milde waarschuwing uitspreken aan het adres van restauranteigenaren die werkeloos op de drempel van hun zaak gaan staan. Doe het niet! Het helpt niet, sterker nog, het stoot af. Ik ben nog nooit zo’n zaak binnengegaan. Je weet: binnen wacht de ellendige leegte, de dood in de pot. Wie er binnengaat, zal er misschien nog wel uitkomen, maar ánders, getekend door de desillusie van een veronachtzaamd mens. Hij heeft een blik geworpen in het graf van de onbekende restauranteigenaar.

De vraag is ook of je in deze barre horecatijden als restaurateur geen maatregelen moet nemen om je zichtbare nood aan het oog te onttrekken. Vaak kan de voorbijganger zo’n zaak met één onbarmhartige blik tot aan de randen doorboren. Een gordijntje hier, een gedempt lichtje daar zou de leegte kunnen camoufleren.

Ook de naamgeving verdient misschien enige aanpassing. Op de hoek van de Plantage Kerklaan en de Plantage Middenlaan ligt een grote Chinees. Hij heet ‘Happy Corner’. Ik pleit niet voor ‘Empty Corner’, maar ‘Chinese Corner’ zou een wat neutralere benaming zijn voor een plek waar de vreugdeloosheid zo tastbaar kan zijn.

Er zaten drie mannen samen te eten, drenkelingen in een zee van tafeltjes met roze kleedjes, waarop grote roze servetten zich als stervende flamingo’s nog even staande hielden. Op losse stoelen aan de zijkant wachtten enkele mannen op hun afhaalmaaltijd. Ze waren misschien net gescheiden en moesten het koken nog onder de knie krijgen. Ze spraken niet met elkaar, maar keken naar de grond of lazen een krantje. Als God hen kwam afhalen, werden ze liever hier aangetroffen dan aan zo’n eenzaam tafeltje in de zaak.

Ik stak de weg over naar Café Koosje, een zaak waar wel leven in de bierbrouwerij was. Nog één keer keek ik achterom. De eigenaar van pizzeria Pasta Villa was weer in zijn lege zaak ondergedoken. Er stonden nu zes jonge mannen, vermoedelijk toeristen, voor de deur. Ze overlegden. En gingen naar binnen! Ik word consulent voor het restaurantwezen.