De generaal heeft vijf zonen in Nederland

Arnon Grunberg reist van Istanbul naar Bagdad en doet verslag van zijn belevenissen. Vandaag ontmoet hij een generaal. Aflevering 16.

In de vroege ochtend bezoek ik generaal Jamal Taher Bakr, hoofd van de Iraakse politie in Kirkuk.

Het bureau van de generaal is net zo indrukwekkend als de generaal zelf, die een prachtige snor en een dito buik heeft.

Voor het bureau staan zetels. De rechter wand hangt vol met foto’s waarop de generaal te zien is met hoogwaardigheidsbekleders, bijvoorbeeld admiraal Mullen.

Er staan overal kunstbloemen.

De generaal begint te spreken: „Toen ik op 13 juli 2007 aan deze post begon, was het mij duidelijk dat wij niet moeten wachten tot de vijand ons aanvalt, wij moeten de vijand aanvallen.”

„Hoe valt de politie aan”, informeer ik.

„Om te beginnen door vertrouwen te winnen”, zegt de generaal. „Vertrouwt de bevolking de politie, dan geeft ze de politie informatie. Tot voor kort ontploften er soms zeven voertuigen op één dag en dit jaar hebben we nog geen één bomaanslag meegemaakt.”

De generaal klopt het af.

In Kirkuk wonen Koerden, Arabieren en Turkmenen.

„Bestaat er verdeeldheid in uw politiemacht”, vraag ik. „Hoe groot is uw politiemacht?”

„Ik ben Koerd,” zegt de generaal, „maar ik zie geen Koerden of Arabieren, ik zie alleen goede en slechte politieagenten. Hoe groot de politiemacht is, mag ik niet zeggen. Duizenden.”

De generaal heeft vijf zonen, die allen in Nederland wonen. Zelf heeft hij in Arnhem gewoond. Hij voegt eraan toe: „Hang dat maar niet aan de grote klok.”

De generaal staat erop dat zijn politieagenten mij escorteren naar mijn volgende afspraak.

In een straat van Kirkuk die aan ‘suburbia’ herinnert, ontmoet ik Monir Goran en Baban, respectievelijk componist en dichter. Monir en Baban zijn in 1998 uit Koerdistan gevlucht. Zij wonen tegenwoordig in Utrecht en zijn op familiebezoek in Kirkuk.

Monir betaalde een Albanese mensensmokkelaar 3.500 dollar om hem naar Italië te brengen. Daar nam hij de trein.

„Bij Roosendaal werd ik opgepakt”, zegt hij.

Een kunstschilder voegt zich bij ons.

„Toen de Amerikanen Irak binnenvielen,” zegt de kunstschilder, die drie van zijn schilderijen heeft meegenomen, „werd Irak geboren.”

Later zegt hij: „Zet dat van de geboorte van Irak niet in de krant, ik heb familie.”

(Zijn naam laat ik weg, dat moet bescherming genoeg zijn.)

Ook Muhamed Ibrahim komt bij ons zitten.

Muhamed zegt: „Ik ben beveiliger. Vroeger was ik boer, maar God heeft al zeven jaar geen regen naar Koerdistan gestuurd.”

(wordt vervolgd)