Zeehondje

Een groot mensenliefhebber was hij niet, Nescio.

„Over drieën was ik in Vlissingen, nix an. Een dom casino, dan die domme scheepsbouw met die malle balansen, nix an. Klootjesvolk bij den weg. Ik den trein naar Middelburg gepakt. Daar in de Abdij een bieffi gegeten om half zes, criant vervelend. De domme menschen hielden hun domme smoelen, den heelen dag heb ik niet met smaak gegeten.”

Het staat in Brieven uit Veere, een fraai boekje met twee nooit eerder verschenen brieven van Nescio aan zijn vrouw, uitgegeven door Van Oorschot en van een verhelderende toelichting voorzien door Lieneke Frerichs.

Zij vermoedt dat Nescio, toen een getrouwde vader van 26 jaar, in juli 1908 met gevoelens van neerslachtigheid naar Zeeland was gegaan. Zijn hoogzwangere vrouw bleef met hun dochtertje bij haar ouders achter.

Nescio knapt in Veere op, de toon van zijn tweede brief is al veel opgewekter, laat Frerichs zien, al zal zijn mensbeeld er niet wezenlijk veranderd zijn.

Waar ik meer van opkeek, was de volgende passage uit de brief van 11 juli aan zijn vrouw. Hij beschrijft daarin dat hij met „den franzoos” (een kennis die hij daar had opgedaan) ’s morgens met een vissersboot op zee was geweest.

„De franzoos werd zoo ziek dat we om half zes moesten keeren, toen is i in ’t kotje in slaap gevallen. Daar hebben we van geprofiteerd om in ’t teruggaan eventjes aan de plaat te loopen en een zeehondje dood te trappen. De Arnemuider had ’m in een ommezientje bij z’n achterpoten in de hoogte en maakte ’m met zijn waterlaarzen af voordat i goed wakker was. Dat geeft een rijksdaalder premie van ’t rijk.”

„Eventjes” zeehondjes doodtrappen…ik moest met mijn ogen knipperen toen ik het las en herlas en nog een paar keer herlas.

Nescio had ik nooit eerder geassocieerd met het doodtrappen van dieren, laat staan van weerloze zeehondjes. We kennen die prachtige foto van hem, waarop hij innig met zijn kat is vereeuwigd. Dat is de foto van een man die van dieren moet hebben gehouden. Die op 17 april 1952 in zijn Natuurdagboek noteerde: „Eerste citroenvlindertje.”

In de bewuste passage valt vooral het ontbreken van enige emotie op. Ze liepen daar met een visser, „de Arnemuider”, en die kon een rijksdaalder per doodgetrapt zeehondje krijgen, nou, ga je gang, wij wachten wel „eventjes”.

Anno 2010 is het gemakkelijk hierover in morele verontwaardiging uit te barsten, maar in die jaren was het een geaccepteerd verschijnsel.

De zeehond werd schadelijk geacht voor de visserij – hij vrat vissen op, beschadigde visnetten – en daarom stond er een rijkspremie op zijn kop: 2,50 gulden voor de ingeleverde linkervleugel van het mannetje, 3,50 gulden voor die van het vrouwtje. Het was vaak een broodnodige bijverdienste voor de visser.

Wat niet wegneemt dat het gruwelijke moordpartijen waren, die in Nederland pas in 1962 werden verboden. Ik heb op internet een paar filmpjes ervan bekeken; dat houd je niet lang vol. Kennelijk accepteert het oog een wantoestand gemakkelijker als het om een algemeen aanvaard verschijnsel gaat. Nescio stond erbij en dacht: zo hoort het nu eenmaal. Als katten schadelijk waren geweest voor de visvangst, had hij het vermoorden ervan ook normaal gevonden. En niet alleen hij, maar ook wij. Zo gaat dat. Nix an.