Verliezen we in de Eindtijd ons morele kompas?

Films, boeken en beeldende kunst beschouwen en tonen de wereld na de apocalyps.

Komt het beeld van het leven na de grote ramp overeen met de werkelijkheid?

Een woud gereduceerd tot houtskool, de bodem bedekt met as. Onttakelde huizen en viaducten die halfweg in elkaar zijn gestort. Maar voor alles, zoals Cormack McCarthy schrijft, ‘nachten donkerder dan het donker en elke dag weer grijzer dan alle voorgaande’.

Zo ziet de postapocalyptische wereld eruit, een thema dat dankzij films, boeken en daadwerkelijke rampen springlevend is. Een greep uit de doemsdagbeelden: Al Gore die hamert op de dreigende ondergang; Roland Emmerichs 2012 (2009), waarin het door de Maya’s voorspelde einde ontaardt in een orgasme van speciale effecten; Margaret Atwoods veelzeggend getitelde roman Het jaar van de vloed (2009).

Het klassieke postapocalyptische landschap vormt ook het decor van de pas uitgekomen films The Road en The Book of Eli, waarin mannen op weg zijn in een ontvolkte, gevaarlijke wereld. Rob Voermans’ tentoonstelling Human Comfort in het Cobra Museum in Amstelveen maakt dat beeld driedimensionaal: zelfgebouwde hutjes die onttakeling suggereren.

Wat vertellen deze verhalen ons? Wat is de moraal die ze uitdragen?

The Road, naar Cormack McCarthy’s meesterwerk, en The Book of Eli zijn nauw verwant. In The Road is een vader met zijn kind op weg naar de oostkust, waar hopelijk de omstandigheden beter zullen zijn dan in het zwartgeblakerde hart van Amerika. In The Book of Eli is eenzame strijder Eli (Denzel Washington) op weg naar de westkust, waar hij de laatst overgebleven bijbel op aarde hoopt af te leveren. De werelden lijken sterk op elkaar: de dorre vergezichten, het gebrek aan kleur, de dreiging van moordzuchtige bendes en zo nu en dan de herinnering aan een verloren tijd: een iPod, een boek, de omver getrokken stellages in een ooit goed gevulde supermarkt.

Ze passen in een genre dat met Mary Shelley’s The Last Man (1826) zijn oorsprong had in de negentiende eeuw, en dat na de eerste atoombom een groeispurt doormaakte, vooral in de sciencefiction. Maar de Eindtijd heeft nu vooral, ondanks haar groene vernis, religieuze ondertonen.

The Book of Eli is een expliciet voorbeeld. Ondanks de vrome hoofdfiguur is het duidelijk dat religie ook een vernietigende kracht herbergt. Juist daarom zijn alle bijbels na de Oorlog vernietigd. En daarom wil opperschurk Gary Oldman het Boek in handen krijgen: het is hét middel om dom volk mee te knechten. McCarthy is op een subtielere manier ambigu. De wereld is ‘kaal, stil, zonder God’, maar kijkt de vader naar zijn kind, dan zegt hij: „Als dit niet het woord Gods is, heeft God nooit gesproken.”

Zowel The Road als The Book of Eli laat pelgrimstochten zien, zodat je aan John Bunyans christelijke allegorie The Pilgrim’s Progress (1678) denkt. Net als in dit boek zijn er onderweg uitdagingen, die een test betekenen voor de morele standvastigheid van de hoofdfiguren. In The Road doorziet het kind de implicaties van het gedrag van zijn vader, die ondanks zijn beste bedoelingen een man ter dood veroordeelt door hem zijn kleren af te nemen. „Blijf op het pad”, houdt Eli zichzelf voor, wanneer even verderop een groep motorrijders zich vergrijpt aan weerloze reizigers. „Het is niet jouw zaak.” Maar is het afleveren van de laatste bijbel belangrijker dan dit tastbare leed?

Deze postapocalyptische vertellingen bevatten een dubbele waarschuwing. Niet alleen zijn we verkeerd bezig door massavernietigingswapens te ontwikkelen, onze natuurlijke habitat te verwaarlozen en hebzucht te voeden. Mocht het mislopen, dan komt bovendien de naakte mens tevoorschijn: een amoreel wezen, in staat tot het toebrengen van onvoorstelbaar leed. Het zijn tot nadenken stemmende overdrijvingen, op basis van een somber mensbeeld. Maar daarmee is niet gezegd dat het uitgedragen mensbeeld klopt.

De praktijk is wat dat betreft inzichtelijk. Op kleine schaal heeft de apocalyps zich al voorgedaan: in New Orleans, Haïti, Chili en zelfs in het verpauperde, leeglopende Detroit. Is het leven hier, tussen ineengestorte gebouwen, gespeend van recht en orde en fundamenteel onzeker?

Dave Eggers’ non-fictieboek Zeitoun (2009) vertelt het verhaal van een Syrisch-Amerikaanse aannemer, die in New Orleans achterblijft om bouwplaatsen te beschermen tegen de komende orkaan Katrina. Hij wordt wakker in een veranderde wereld – ondergelopen, ordeloos. Vervalt hij automatisch in amoreel gedrag? In tegendeel. De eerste dagen peddelt Zeitoun rond in zijn kano, voedt achtergelaten dieren en helpt ouderen naar een veiliger plek. En er zijn er meer zoals hij, ook al zijn er evengoed plunderaars actief. Militairen jagen op de nieuwbakken waterwegen op roversbendes en moslimterroristen die van de wanorde gebruik hopen te maken.

Inderdaad, er werd geplunderd in de nasleep van Katrina. Er zijn moorden gepleegd en er is verkracht. Maar zoals de Los Angeles Times in het najaar van 2005 vaststelde, er bestond een grote discrepantie tussen gerucht en werkelijkheid. Kranten en tv-zenders schreeuwden van de daken dat een golf van moorden de grote opvanglocaties teisterden. Het leven in het Superdome en het Convention Center, waar tienduizenden vluchtelingen onderdak hadden gevonden, zou een hel op aarde zijn. Uiteindelijk werden er niet honderden, maar slechts tien doden in het Superdome en vier in het Convention Center geteld. Het overgrote deel van de mensen had zich onder zware druk juist goed kunnen beheersen. Tegenover elke barbaar staat blijkbaar een veelvoud aan mensen dat het fatsoen houdt.

In Zeitoun wordt het diepste kwaad uiteindelijk vertegenwoordigd door de orde, en niet door de wanorde. Het Federale bestuur liet zich leiden door een paranoïde mens- en wereldbeeld. Een mens- en wereldbeeld dat past bij het clichébeeld van de postapocalyptische nachtmerrie.

Kannibalisme wordt vaak voorgesteld als de onvermijdelijke en ultieme vorm van ontmenselijking na de apocalyps. In The Book of Eli zijn kannibalen te herkennen aan het trillen van hun handen, in The Road leidt het tot een verschrikkelijke scène, wanneer vader en zoon stuiten op een kelder vol ‘slachtvee’.

Er bestaan voorbeelden van uit nood geboren kannibalisme: het belegerde Leningrad ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Maar zelfs in gebieden waar structurele hongersnood heerst, komt kannibalisme zelden voor. En als het al voorkomt, is de vraag of het bijbehorende beeld van morele onttakeling wel correct is.

Op 13 oktober 1972 stortte een vliegtuig met het Uruguayaanse rugbyteam neer in de Andes. Velen kwamen bij de crash om, anderen stierven later door de kou. Zestien overlevenden werden uiteindelijk gered. Ze hadden het moeten doen met een paar chocoladerepen, wat snacks, een paar flessen wijn en het vlees van door kou vers gebleven slachtoffers.

Overlever Nando Parrado schetste de omstandigheden in zijn boek Miracle in the Andes: ‘Op grote hoogte is de hoeveelheid calorieën die een lichaam nodig heeft astronomisch. We waren aan het verhongeren en hadden weinig hoop eten te vinden, maar de honger was zo hevig dat we toch op zoek gingen. Steeds weer doorzochten we de vliegtuigromp, hopend op kruimels. We probeerden stukken leer te eten, die we van onze bagage hadden losgerukt. (...) We scheurden zitkussens open in de hoop er stro te vinden, maar vonden enkel oneetbaar schuimrubber. Als we niet onze kleren wilden opeten, was hier niets te vinden dan aluminium, plastic, ijs en gesteente.’

Het besluit kwam langzaam tot stand, met tegenzin en na veel morele worstelingen. Alle passagiers waren rooms-katholiek, en een aantal kon de daad uiteindelijk rechtvaardigen door de vergelijking te maken met de heilige communie. Andere zetten zich pas over de bezwaren heen toen bleek dat het de enige kans op overleven was. Kannibalisme als resultaat van diep-menselijke overwegingen.

De suggestie van schrijvers en filmmakers is steevast dat hooguit een handjevol bijzondere mensen het morele kompas zal behouden. Carrying the light, noemt de vader uit The Road het. Maar er is genoeg reden aan te nemen dat de overgrote meerderheid menselijke waarden in ere zal blijven houden. Moraliteit en empathie zijn in de mens geslepen, omdat die eigenschappen uiteindelijk evolutionair gunstig zijn gebleken voor de kansen van de groep. Juist onder moeilijke omstandigheden. Die bagage is niet één-twee-drie weggevaagd. Niet door natuurrampen en zelfs niet door het Einde der Tijden.