Met de familie dans ik op een kleedje

Arnon Grunberg reist van Istanbul naar Bagdad en doet verslag van zijn belevenissen. Vandaag reist hij richting Shaqlawa. Aflevering 15.

Om de viering van het Koerdische nieuwjaar, Noroez, bij te wonen, reis ik vanuit Arbil naar het noorden, richting Shaqlawa. Iets voor Shaqlawa zitten de Koerden op kleedjes in een veldje langs de snelweg. De vrouwen hebben traditionele Koerdische kleding aan.

Ik stap op een familie af. „We zitten hier de hele dag”, zegt de moeder.

„Sommige mensen beweren dat Koerdistan een politiestaat is”, zeg ik.

„Onzin”, zegt de moeder. „We kunnen alles zeggen.”

„Komt er een Koerdische staat?”

„Insjallah.”

Een van de dochters, ze heet Iman en ze is 16, fluistert: „Ik wil naar Korea.”

„Waarom?”

„Omdat ik van Koreaanse televisieseries houd.”

De familie eet de traditionele gerechten voor Koerdisch nieuwjaar: biryani, een rijstschotel, met vlees en rozijnen en dolma’s.

Twee struiken verderop zit Ibrahim Muhammed Ali met zijn familie op een kleedje.

Ibrahim zegt: „Alle politici zijn slecht. Ik ben 21 jaar ambtenaar geweest, en toen ben ik eruit gegooid omdat ik geen lid ben van de KDP.”

De KDP is de partij van Barzani, de Barzani’s schijnen oppermachtig te zijn in Arbil.

„Ik ben in 1957 geboren”, zegt Ibrahim. „Ik moet leven van 130 dollar per maand, waarmee ik mijn familie en halve schoonfamilie moet onderhouden.”

Een struik verderop word ik genood een traditionele dans mee te doen. Ik durf geen nee te zeggen. Zo dans ik rondjes op een kleedje. In Koerdistan mondt de wereld uit in een picknick langs de snelweg.

Later op de dag ontmoet ik Nian Bakal, een Koerdische journaliste in opleiding die op haar negende met haar familie naar Nederland vluchtte en die nu voor Elsevier en de NOS werkt.

Ze zegt: „De Koerdische geheime dienst is oppermachtig. Als ik echt iets negatiefs over Barzani zou schrijven zou mijn leven onmogelijk worden. Een middenklasse bestaat hier niet. De rijkdom neemt toe, onder andere doordat Turkije hier investeert.”

„Ik hoor dat Israël in Koerdistan investeert”, antwoord ik.

„Ja,” antwoordt ze, „het schijnt dat de Peshmerga, de Koerdische strijders, getraind worden door de Mossad.”

Geruchten die ik al vanaf mijn eerste bezoek aan Irak, in 2008, hoor.

Dara, een Koerdische journalist, zal later zeggen: „Elke groepering in Irak wordt door een buurland gesteund. De soennieten door Syrië en Saoedi-Arabië, de shiieten door Iran, de Turkmenen door Turkije, alleen de Koerden hebben niemand. De enige vrienden van de Koerden zijn hun bergen.”

Misschien hebben de Koerden een vriend: de Mossad.

(wordt vervolgd)