Laatste nummer

Milaan-Sanremo kondigt de lente aan, zo heet het. Maar voor mij is dat niet zo. Volgens mijn ingebakken wielerklok begint de lente bij het WK veldrijden. Daar wordt de winter onthoofd. Wat Milaan-Sanremo aankondigt is de melancholie van een jaar dat wederom voorbij zal vliegen.

Ik mag graag naar La Primavera kijken op de televisie. Er gebeurt niets. De Middellandse Zee glinstert, het peloton herschikt zichzelf in een smalle steeg, een coureur plooit zich om een verkeersbord. Een middagdutje onderweg is de beste remedie om de eindigheid te bestrijden.

Van dat middagdutje is het dit jaar niet gekomen. Zaterdagmiddag was ik bij het WK allround in Thialf. Ik moet zeggen dat daar de winter nog uitbundig werd gevierd. Maar het kan ook het voorjaar zijn geweest. Dat weet je niet in zo’n hal met optimistische dweilorkesten. Dronken van vermoeidheid na een olympisch seizoen, en ingesnoerd in strategische pakjes, voerden de schaatsjongens en -meisjes hun laatste nummer op.

Er is een merkwaardige discrepantie tussen televisie- en live- beeld. Bij mij op de bank, bijvoorbeeld, ziet Cindy Classen eruit als een vormloze trol. In het echt ontdek ik bij haar toch atletische proporties. Over de Canadese schaatspakken kun je in het algemeen opmerken dat ze op televisie in een blubberig rood worden weergegeven, maar live hebben ze het vinnige voorkomen van een haaienhuid.

Voor het eerst zag ik Martina Sablikova in actie. In het echt, dus. Voor de televisie snapte ik nooit hoe ze zo hard kon schaatsen met dat uitgemergelde zwabberlijfje. Nu begrijp ik het. Martina Sablikova is een kunstenares. Ze trekt lijnen op het ijs zoals alleen een Japanse penseeltekenaar het kan: de efficiëntie in techniek is van een ontwortelende schoonheid.

Martina Sabikova op het ijs. Laat de race nooit eindigen. Laat haar niet het mutsje van haar hoofd trekken. Laat het ingevallen mondje zich niet ontspannen in een lach. Laat haar glijden, en dweil de tekeningen op het ijs niet weg.

Maar Martina Sablikova trok het mutsje wel van haar hoofd. Het viel me nu op hoe bleek ze was. Meelwit was ze, in feite. Ze had de kleur van de man die ik eens op straat heb zien liggen, waarover de ziekenbroeder snel een laken trok.

Ik zocht naar de ogen van Martina Sablikova. Ogen zijn de spiegels van de ziel, wordt gezegd. Ik denk dat dat klopt, maar ik zocht in eerste instantie niet naar een ziel. Toen vond ik ze, ze glommen.

Dit heb ik ooit ontdekt in de praktijk van de topsport: al sta je tegenover een geraamte, als de ogen glimmen, wees dan op het ergste voorbereid.

Over de duistere ziel van Sablikova kom ik volgende winter te spreken.