Jeugd-GGZ slaagt er niet in Marokkaanse kinderen tijdig te behandelen

In het hoofdredactioneel commentaar van 16 maart wordt een rapport van het Nicis Institute aangehaald waaruit zou blijken dat Marokkaanse jongens in hechtenis minder emotionele en gedragsproblemen hebben dan autochtonen. Maar mijn collega’s en ik hebben juist, op grond van een analyse van de cijfers van de Jeugd-GGZ in Den Haag, geconcludeerd dat veel problemen met Marokkaanse (en Antilliaanse) jongeren het gevolg zijn van het feit dat de Jeugd-GGZ er niet in slaagt om kinderen uit deze etnische groepen tijdig te behandelen. Jongeren met onbehandelde gedragsproblemen hebben een grote kans op een criminele carrière. Dat betekent dus dat er in onze grote steden al gauw zo’n vijfhonderd jongeren van niet-Nederlandse herkomst rondlopen die wegens het niet tijdig onderkennen en behandelen van hun stoornis het gevaar lopen het verkeerde pad op te gaan. De ondervertegenwoordiging van Marokkaanse en Antilliaanse jongeren in de Jeugd-GGZ en oververtegenwoordiging van deze groepen in de forensische psychiatrie (ons onderzoek) en Justitiële Jeugdinrichtingen lijkt onze stelling – dat de criminaliteit bij deze jongeren het gevolg is van falende hulpverlening – te bevestigen.

Het is riskant om uitspraken te doen over het voorkomen en de ernst van gedragsstoornissen bij jongeren van Marokkaanse herkomst als we ons baseren op zelfrapportage en vragenlijsten die door hun ouders zijn ingevuld. Omdat het Nicis-rapport gebaseerd is op dit soort vragenlijsten, moet de conclusie van het hoofdredactioneel commentaar dat Marokkaanse jongeren in hechtenis minder problemen hebben, sterk genuanceerd worden. Op grond van ons eigen onderzoek zou de conclusie moeten luiden dat er geïnvesteerd moet worden in maatregelen om migrantenjongeren tijdig de juiste behandeling te geven voor hun psychiatrische problematiek.

Albert Boon

Psycholoog/onderzoeker bij o.a. De Jutters Centrum voor Jeugd-GGZ Haaglanden in Den Haag