Immuniteit voor ellende is illusoir

Europeanen in Afrika worden immuun voor de menselijke ellende waardoor zij zijn omgeven. Soms lukt het niet de misère buiten te sluiten.

Pauline Bax

Kort nadat ik naar West Afrika was verhuisd, zag ik een blanke vrouw die nors haar portierraam dichtdraaide op het moment dat een kind in lompen op haar auto afrende. Ze stond bij een stoplicht en had duidelijk geen zin iets aan de bedelaars te geven die de blanken er altijd als eerste uitpikken.

Enkele jaren verder betrap ik mezelf erop dat bedelaars een bron van ergernis zijn geworden. Ivoorkust is in crisis, dus het worden er steeds meer, en allemaal proberen ze de aandacht te trekken. Het meest opdringerig zijn de bedelkinderen. Een blanke vrouw in een auto werkt op hen als een magneet. Ik heb een hekel aan mezelf als ik het portierraam dichtdraai, maar ik doe het toch.

„Vind je dat niet vreselijk, al die misère?” vragen kennissen in Nederland weleens. „Natuurlijk is het vreselijk ”, zeg ik dan, „maar je wordt er ook immuun voor.”

Soms kom je in een situatie waardoor je aan die immuniteit gaat twijfelen. De neef van dagwaker Kader, een immigrant uit straatarm Burkina Faso, was zo’n geval. Kader kwam vorige week vragen of hij weg mocht om zijn neef op te zoeken die twee dagen eerder was aangereden door een auto. Zijn rechterarm was gebroken, zei Kader, maar het eerste ziekenhuis was vol, en het tweede ziekenhuis had vooraf 2.000 euro geëist voor een operatie. Dat konden ze niet betalen. Het plan was nu om hem op de bus naar Burkina Faso te zetten, een reis van drie dagen. Ik vroeg hoe de arm eruit zag. „Niet goed,” zei Kader. „Er zit een gat in.”

Kader kan alleen de Koran lezen. Tegen de complexiteit van de grote stad is hij niet altijd opgewassen. Ik besloot mee te gaan toen hij vertelde dat een traditioneel genezer de gebroken arm had gemasseerd. Sindsdien kon de jongen niet meer opstaan.

De plek waar de neef woont, is een braakliggend terrein tussen een legerkamp en een villawijk waar immigranten in armoede samenklonteren. In de broeierige hut was amper ruimte voor mijn stoel. De neef probeerde rechtop te zitten, zijn rechterhand opgezwollen als een ballon. Toen zag ik dat hij zijn muurtjes zorgvuldig had behangen met bladzijden uit een Europees damesblad. Ik zag niet wat onder het verband rond zijn elleboog zat, maar ik kon het wel ruiken. De busreis naar zijn thuisland zou hem zijn arm kosten. Ik ging naar buiten en belde een ziekenauto.

Toen de ambulance drie uur later arriveerde, was ik oververhit van ongeduld. Bij de eerste hulp wachtten we nog eens anderhalf uur. In de tussentijd liet ik de offerte van de chirurg zien die 2.000 euro voor de operatie had gevraagd. Kader, zo bleek, had de neef eerder die week per ongeluk naar de afdeling cardiologie gebracht.

De arts die uiteindelijk het verband eraf pulkte, haalde zijn mobiele telefoon tevoorschijn toen hij het vuistdikke gat in de elleboog zag. Even een foto maken. Ik zag gelig vlees, bot en slierten bloed, en maakte ook maar een foto. De arts wierp een blik op Kader die buiten gedwee stond te wachten en zuchtte. „Wilden ze deze jongen op de bus zetten? Typisch Afrikaans. Ze sturen hem terug naar zijn dorp, dan is het hun verantwoordelijkheid niet meer.”

De lijst met medisch materiaal dat voor de operatie moest worden aangeschaft, lag inmiddels klaar. Voor zo’n 200 euro stond de neef nu op de wachtlijst voor de operatiekamer. Vier dagen later lag hij nog te wachten. Moest ik smeergeld betalen misschien? Maar de dokter die ik belde, klonk uitgeput. „We hebben maar één functionerende operatiekamer voor het hele ziekenhuis. Echt, we proberen zijn arm te redden zodra er plaats is.”

Op dag vijf ging de neef onder het mes. Zijn arm bleef gespaard. Een delegatie van buurtbewoners kwam me deze week bedanken. Ik wilde geen dankbaarheid. Ik wil weten hoeveel mensen in snikhete hutten overlijden aan afschuwelijke wonden die met een beetje geld en doortastendheid genezen hadden kunnen worden. Maar aan de andere kant ook niet. Ik wil weer immuun zijn.