Geen ophef

Ooit was een van de katten van Rascha Peper ‘de schrik van alles wat vloog en ritselde of zomaar onnozel rondfladderde, gonsde of wriemelde’. En nu, ja hoe is het nu met die ‘geduchte wreker’?

Er zijn zoveel zomers geweest en winters en weer zomers, niet te tellen. Eigenlijk wil je niet meer. Het kan je allemaal niks meer schelen. Nou goed, voor rosbief of makreel kom je nog wel eens van de verwarming af. En vanillevla, eerlijk is eerlijk: er gaat in het leven weinig boven vanillevla. Maar de rest, daar ben je overheen. Gewoon voedsel moet de jonge assistent maar opeten en dat doet hij ook: hij weet niet hoe snel hij de porties die jij laat staan naar binnen moet schrokken.

Buiten is het ook niks meer. Als je nog een enkele keer buiten komt, wankelend op je stramme poten, met die kouwe wind op je uitgeteerde lijf, wil je alleen nog zo snel mogelijk weer naar binnen. Ooit was je een wrede vanger, een geduchte wreker, de schrik van alles wat vloog en ritselde of zomaar onnozel rondfladderde, gonsde of wriemelde. En bovenal een genadeloos bewaker van je territorium. Toonden ze geen respect? Een haal over hun rotkop of een hap uit hun oor konden ze krijgen. Nu kijk je niet eens meer naar ze.

Lekker warm liggen is het enige wat je nog wilt, op de verwarming of op de oude bank in de achterkamer en als ze je niet met rust laten, ga je eronder liggen, soms de hele dag. Ze noemen je tegenwoordig ouwe taaie, grumpy, ome Flip of hé, skeletje! Als je al zoveel jaren meeloopt, dan versta je hun taal wel, beter dan ze soms denken. Het maakt trouwens allemaal niets uit.

De jonge assistent kan knap vervelend zijn. Hij is nog zo’n hals die graag speelt en dat hij als een idioot achter propjes en balletjes aan draaft, moet hij zelf weten, maar dat hij het een goeie mop vindt om jou uit hinderlaag te bespringen als je je net moeizaam verheven hebt om een slokje water te gaan drinken, is bloedirritant. Voor de rest is hij een goedzak – om niet te zeggen een mietje dat niet kan vechten – die je uit eigen beweging ’s morgens komt wassen, wat goed uitkomt als je zelf geen zin meer hebt je vacht te onderhouden.

Nee, aan jouw lijf geen polonaise meer, maar vandaag is er iets aan de hand. Je moet opeens in dat rieten mandje. Dat kan maar één ding betekenen: die vent in de witte jas! De kerel die je in een kale, eng ruikende ruimte op tafel zet en je brutaal, maar deksels handig, in de houdgreep neemt, zodat je geen kant uit kunt. Waarom moet je daar nu heen? Maar jou hebben ze niet meer, hoor. Je geeft de hele weg ernaartoe geen kik, terwijl het nog verdomd koud ook is achterop die fiets.

En zie je wel, daar lig je al op die tafel. De witte jas voelt en knijpt overal, maar hij is de kwaadste niet, dat moet gezegd worden, hij doet je geen pijn, hij aait zelfs. Jij wilt je ook niet van je beroerdste kant laten zien, dus je geeft nog een nummertje spinnen weg, daar ben je altijd erg goed in geweest.

Intussen staan ze maar over je kop heen te lullen, waar hebben ze het toch over? Eindelijk pakt het vrouwtje je op en gaat met je op schoot op een stoel zitten, zij heeft er zeker ook geen zin meer in. Je hebt allang begrepen dat ze evenmin op haar gemak is, ze zit steeds zo te snuiven. De handige kerel komt er ook bij, tilt je vel op en spuit erin. Zo gebeurd, fluitje van een cent. Dan kunnen we nu misschien naar huis.

Ach, je ligt best lekker en het vrouwtje praat tegen je. „Je bent een bovenstebest beest”, zegt ze. „Een knappe, junge Bursche, een dappere strijder, de allerliefste rooie die er is.” Kijk, dat hoor je graag, ook al klinkt haar stem raar snotterig. Over een kattenhemel heeft ze het – dat woord ken je niet, maar ze hebben ook zo’n overvloed aan woorden – en de eeuwige muizenvelden, ook onbekend, maar het klinkt goed. Je ligt helemaal weg te doezelen. Het wordt hier zowaar nog comfortabel. Je verlegt je kop een beetje en ontspant je poten. Ontsnapte je daar soms een plasje of is dat verbeelding? In elk geval lig je prima. Je laat je behaaglijk wegglijden. Je hoeft niet meer in een mand door de kou, je bent al thuis. Zo simpel is het, zo eenvoudig. Wegglijden, meer niet. Niets om ophef over te maken.