Film brengt Paramaribo terug naar jaren twintig

De filmcrew van Sonny Boy is druk aan het werk in Paramaribo. Op diverse locaties is het straatbeeld omgetoverd tot de jaren twintig, de tijd waarin de hoofdpersoon opgroeide.

Op de bruisende markt van Paramaribo zitten de vrouwen in hun traditionele jurken achter de stalletjes met groente en kokosnoten. Een tandeloze hindoe baant zich handig met kar en os een weg door de menigte.

Op deze historische plek in Suriname, rondom Fort Zeelandia en de omliggende koloniale officierswoningen, is het deze zondagmiddag weer even 1920. Kinderen rennen over de markt in hun jurken met franjes en vlechten met strikjes. Een groepje ezels kijkt op naar de langswandelende lichtgekleurde en blanke elite, keurig paraderend langs de statige koloniale panden. Dan wordt het idyllische beeld plotseling verstoord als de stem van de opnameleider klinkt en de acteurs nieuwe aanwijzingen krijgen voor de volgende scène.

Voor de speelfilm Sonny Boy worden deze week opnames gemaakt in Paramaribo. Dat gaat aan vrijwel niemand voorbij; op een aantal plekken in de stad zal de tijd terug worden gebracht naar negentig jaar geleden. Een grote operatie waarbij straten worden afgesloten, verkeersborden en straatverlichting moeten worden weggehaald. Meer dan tweehonderd historische kostuums zijn uit Berlijn en Praag ingevlogen om bijna honderd Surinaamse figuranten aan te kleden.

Alles is uit de kast gehaald om van het boek Sonny Boy, de bestseller uit 2004 van Annejet van der Zijl, een net zo een succesvolle film te maken. Dat de verwachtingen hooggespannen zijn, vindt regisseur Maria Peters, bekend van films als Kruimeltje en Pietje Bell, soms wel lastig. Peters: „Je kunt jezelf gek maken, de verwachting kan ook verlammend werken. Toen ik het boek had gelezen was mijn eerste reactie: dit is niet te verfilmen. Maar na vijf jaar voorbereiding hebben we toch de juiste stijl voor de film gevonden. De lat ligt hoog, en ook de verantwoordelijkheid is enorm. Het gaat immers om een waargebeurd verhaal, en de echte Sonny Boy, Walter Nods, leeft zelf ook nog.”

Het verhaal van Sonny Boy gaat over de ouders van Walter Nods (1929): de Surinamer Waldemar Nods (gespeeld door Sergio Hasselbaink) en Rika van der Lans (Ricky Koole), een Nederlandse gescheiden vrouw die bijna twintig jaar ouder is. Het is een verhaal over een verboden liefde met een dramatische afloop. Ook een verhaal over acceptatie en tolerantie, over een gemengd huwelijk, en de gevolgen daarvan, in een tijd dat er nog nauwelijks Surinamers in Nederland woonden. Regisseur Maria Peters: „In die zin past de film ook in het Nederland van nu, waarin we steeds angstiger worden voor mensen van buiten, en voor religies die anders zijn dan de onze, zoals de islam. Waldemar en Rika moesten een eeuw geleden al met die vooroordelen omgaan.”

Waldemar Nods groeide op in Suriname en was van rijke komaf. Een deel van de film wordt opgenomen niet ver van zijn echte ouderlijk huis aan de waterkant. Daar is overigens weinig meer van te zien, op die plek staat nu een drive through fastfood restaurant. Wel woont er nog familie van Waldemar in Paramaribo en doet een achternicht van hem mee als kleedster op de filmset. Christine van Russel-Henar is trots dat ze meewerkt aan haar familieverhaal: „Dat voelt heel bijzonder, ik lever een bijdrage aan het bekendmaken van mijn eigen geschiedenis.”

Op een dag als vandaag waarin de Surinaamse figuranten rustig en vrolijk in hun stijlvolle kleding over de set wandelen, komt de geschiedenis weer even tot leven. „Het is alsof ik mijn overgrootmoeder zie lopen, op oude foto’s draagt ze precies zulke kleding,” zegt Louise Blufband die uit nieuwsgierigheid is komen kijken.

Voor producent Hans Pos van Shooting Star, zelf deels van Surinaamse komaf, was Suriname altijd een abstract verleden, dat nu eindelijk vorm en beeld krijgt. „Ik ben hier voor het eerst, maar er zijn veel overeenkomsten tussen mijn eigen verhaal en dat van Sonny Boy. Mijn ooms waren ook ocean swimmers: zo werden de jonge studenten genoemd die naar het beloofde land Nederland trokken om te gaan studeren.”

Ook Waldemar Nods ging studeren in Nederland, en bleef hangen aan de luidruchtige Rika. In hun Scheveningse pension verborgen zij in de Tweede Wereldoorlog Joodse onderduikers. Waldemar en Rika werden opgepakt, in een concentratiekamp gezet, en later vermoord door de nazi’s.

Op de filmset is inmiddels de brandweer gearriveerd om een tropische regenbui te creëren, een sibi busi, waarin de jonge Waldemar (gespeeld door Angelo Arnhem) met zijn vriendjes gaat dansen. Mediaondernemer en dj Erik de Zwart kijkt aandachtig toe. Hij is een van privé-investeerders in de film. „Het verhaal sprak me direct aan, er zit tragiek in, maar vooral hoop. En ik geloof dat het een topper gaat worden, dus ik durf het wel aan daar financieel in te stappen.”

Met deze historische opnames hoopt Suriname als filmland een opkikker te krijgen. Aantrekkelijk voor filmopnames zijn de goed onderhouden koloniale panden, hoewel hun aantal schrikbarend afneemt. Met een crew van ruim dertig Nederlandse en twintig Surinaamse medewerkers, meer dan honderd Surinaamse figuranten, de hele catering en alles wat erbij komt kijken, pikt de voormalige Nederlandse kolonie in elk geval economisch een graantje mee.

Pim de la Parra, de zeventigjarige Surinaamse filmregisseur in ruste, komt ook even kijken: „Mijn handen beginnen weer te jeuken.”

Als over een jaar Sonny Boy in de bioscopen uitkomt, opent de film in Suriname met de beelden waarin Waldemar in de rivier zwemt. Het verhaal van Waldemar en Rika speelt zich weliswaar overwegend af in Nederland, Suriname was er altijd bij, in de herinnering en in zijn hart.