Economisch herstel sleutel tot integratie

De arbeidsmarktpositie van niet-westerse allochtonen vormt al decennia aanleiding tot zorg. De vraag is of die zorg wel terecht is.

Volgens de OESO bedroeg de werkloosheid in Nederland in januari 2010 4,2 procent van de beroepsbevolking. Hiermee heeft Nederland de laagste werkloosheid in Europa. In de ons omringende landen is de werkloosheid aanmerkelijk hoger: 7,5 procent in Denemarken en Duitsland, 8 in België, 9,1 in Zweden en 10,1 in Frankrijk. De Nederlandse arbeidsmarkt reageert minder op de economische crisis dan die in het buitenland. Dat komt deels doordat bedrijven mensen vasthouden in afwachting van betere tijden.

De lage gemiddelde werkloosheid neemt niet weg dat in sommige delen van de arbeidsmarkt de werkloosheid aanmerkelijk groter is. Omdat aan de uiteinden van het leeftijdspectrum sprake is van bijzondere omstandigheden – veel jongeren zitten nog op school, veel ouderen zijn al met (pre)pensioen – beperken we ons tot leeftijdscategorieën van 25 tot 54 jaar. De werkloosheid onder autochtone mannen is bijzonder laag, van 2,3 tot 3,3 procent. De werkloosheid onder volwassen (niet-westerse) allochtone mannen varieert van 8,3 procent bij 45- tot 54-jarigen tot 9,7 bij 35- tot 44-jarigen. Aanmerkelijk hoger dan die onder autochtone mannen, maar internationaal gezien niet bijzonder hoog, want vergelijkbaar met de gemiddelde werkloosheid in omringende landen.

Werkloosheid hangt ook sterk af van opleidingsniveau in combinatie met leeftijd. Oudere hoogopgeleiden hebben met 2,2 procent een aanmerkelijk lagere werkloosheid dan de 7,2 procent onder jongere laagopgeleiden. De werkloosheid onder jonge allochtonen is niet veel hoger dan de werkloosheid onder laagopgeleide jongeren. Er zijn ook duidelijke verschillen in werkgelegenheid. Terwijl van de autochtone mannen ruim 90 procent een baan heeft, is dat onder oudere allochtone mannen slechts 70 procent. Opvallend is ook hier dat de werkgelegenheid onder jonge allochtone mannen niet veel verschilt van die onder laagopgeleiden.

De laatste twee jaar stijgt onder allochtone mannen de werkloosheid sneller en daalt de werkgelegenheid sneller dan onder autochtone mannen, maar het verschil tussen allochtonen en laagopgeleide mannen is veel kleiner.

Over iets langere termijn, vanaf 2004, het dieptepunt van de vorige recessie, is duidelijk dat de arbeidsmarktpositie van autochtonen in 2009 iets beter was dan die in 2004, terwijl bij allochtonen sprake is van een spectaculaire verbetering. De grafiek bevestigt dat de werkgelegenheid onder allochtonen toegroeit naar die van de lager opgeleiden. Tot aan de huidige crisis hebben allochtonen bij uitstek geprofiteerd van de schaarste op de Nederlandse arbeidsmarkt. De recente verslechtering van de arbeidsmarkt heeft die inhaalslag niet tenietgedaan.

Het opleidingsniveau van een werknemer is een belangrijke determinant van zijn arbeidsmarktpositie. Een hogere opleiding leidt niet alleen tot meer salaris, maar ook tot een grotere kans op een baan. Wat dit betreft is de positie van allochtonen ongunstig. Terwijl ongeveer 20 procent van de autochtone mannen van 25-34 jaar een lagere en 35 procent een hogere opleiding heeft, bedragen die percentages bij allochtonen bijna 40 en ruim 15.

Ook in recessies hebben lager opgeleiden het niet gemakkelijk. Bedrijven houden weliswaar hun personeel vast in afwachting van economisch herstel, ze zijn sneller geneigd om hoger opgeleid personeel vast te houden dan lager opgeleide werknemers die makkelijker te vinden zijn als de economie weer aantrekt. Allochtonen hebben hier door hun gemiddeld lage opleidingsniveau meer last van dan autochtonen. Daar komt bij dat veel allochtonen pas recentelijk een baan hebben gevonden: het last-in-first-outprincipe werkt dan ook niet in hun voordeel.

De slechte arbeidsmarktpositie van allochtonen is vooral een probleem van lage opleiding en taalachterstanden. Uit een onderzoek onder succesvolle allochtonen komt naar voren dat hun succes losstaat van overheidsbeleid gericht op allochtonen. Een deel van hen geeft zelfs aan geen voorstander te zijn van zulk beleid, omdat het suggereert dat allochtonen het zelf niet kunnen.

Voor zover de overheid zich zorgen maakt over de positie van bepaalde groepen op de arbeidsmarkt, ligt het eerder voor de hand beleid te richten op kenmerken van die groepen zoals een lage opleiding en taalachterstand. Herstel van de arbeidsmarkt lijkt voor de allochtonen meer soelaas te bieden dan welk specifiek beleid dan ook. Binnen afzienbare termijn verkrapt de arbeidsmarkt weer. Wat dat betreft is er reden voor optimisme. Een aantrekkende economie is de sleutel voor integratie van allochtonen op de arbeidsmarkt.

De auteur is hoogleraar arbeidseconomie in Tilburg.

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen op nrc.nl/schinkel.