Duitse banken moeten eigen redding betalen

De Duitse coalitiepartijen zijn het erover eens dat er een waarborgfonds moet komen waaruit de Duitse financiële sector zijn eigen reddingsacties moet gaan betalen.

De regering van bondskanselier Angela Merkel is niet van plan andermaal de belastingbetaler voor stroppen van banken en verzekeraars te laten opdraaien. Voor een eventuele nieuwe kredietcrisis dient de sector een waarborgfonds te stichten waaraan verplicht geld moet worden afgedragen.

Daarover zijn de coalitiepartners in de Duitse regering – christen-democraten en liberalen – het de afgelopen dagen eens geworden. Het idee van zo’n waarborgfonds is overgenomen uit de Verenigde Staten. De details moeten nog worden uitgewerkt, maar het staat vrijwel vast dat Duitsland zo’n fonds zal krijgen. Bondskanselier Merkel en haar minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, willen hiermee hun plechtige belofte waarmaken dat lering uit de kredietcrisis wordt getrokken.

Banken en verzekeraars zullen afhankelijk van grootte en balansrisico’s worden belast. Voor de grootste Duitse bank, Deutsche Bank AG, zou een bijdrage aan deze bijzondere ‘stroppenpot’ neerkomen op jaarlijks 2,2 miljard euro, schatten financiële experts. Voor spaarbanken en coöperatieve banken zou de bijdrage geringer zijn. Niettemin zijn in die hoek al luide protesten te horen. Een woordvoerder van de Duitse spaarbanken wees gisteren een generieke bijdrage af. „We moeten kijken naar wie de kredietcrisis hebben veroorzaakt. Dat zijn niet de Duitse spaarbanken geweest.”

Bij grote banken als Deutsche Bank en Commerzbank valt het plan goed. De hele financiële sector zou ervan profiteren; „De hele branche moet dan ook een bijdrage leveren”, reageerde het verbond van Duitse banken. In een commentaar pleit het liberale dagblad Die Welt vandaag daarentegen voor een gedifferentieerde aanpak. „Alleen de zondebokken moeten betalen”, meent de krant.

Veel Duitse banken zijn hard getroffen door de kredietcrisis. Opvallend is dat het vooral de banken van de Duitse lagere overheid waren die het zwaarst hebben gespeculeerd in de riskante handel met Amerikaanse hypotheken, de aanleiding tot de kredietcrisis. De zogeheten Landesbanken, de financiële instellingen van de Duitse deelstaten, hebben vrijwel allemaal grote schade geleden met speculaties in de Verenigde Staten.

De kennis van zaken bij de Landesbanken was gering; de risico’s die ze zijn aangegaan, waren enorm. Zowel deelstaten als Berlijn hebben banken als de Bayerische Landesbank, HSH Nordbank, WestLB en SachsenLB met reddingspakketten van miljarden euro’s van een wisse ondergang – en een ‘systeemcrisis’ – moeten redden. Gevolg was een fusie- en consolidatieproces dat nog in volle gang is. De verwachting is dat er over enkele jaren maar een paar grote Landesbanken over zijn.

Hypo Real Estate, een vastgoed- en pandbriefbank in München, leed de grootste stroppen. De redding daarvan is nog niet voltooid. De bank is inmiddels genationaliseerd. Aan feitelijke financiële steun en garanties hebben Beieren en de Duitse staat enkele honderden miljarden euro’s besteed. Nog steeds is onduidelijk hoe hoog de verliezen precies zijn.

De politieke en maatschappelijke ergernis in Duitsland over de mentaliteit van de banken voor en na de kredietcrisis is groot. De financiële sector heeft in de naoorlogse Bondsrepubliek altijd op een voetstuk gestaan. Banken waren gerespecteerde instituten die een belangrijke rol vervulden tijdens de wederbouw en die in het Rijnlandse model van de sociale markteconomie altijd onmisbaar zijn geweest. Hun beleggingsbeleid was behoudend; rendementen en verdiensten waren goed maar niet overdadig. De laatste tien jaar is dat dramatisch veranderd.

Ze zijn diep gevallen. Voor hun verliezen moesten de burgers opdraaien. De regering neemt nu maatregelen dat verder te voorkomen. Zoals de christen-democraat Volker Kauder gisteren zei: „Banken mogen nooit meer gokken op kosten van de belastingbetaler”.