Voor geluk moet ik hard werken

In Pil beschrijft Mike Boddé de gruwelijke finale fase van zijn depressie.

„Ik ben geen antidepressiva- missionaris, maar ik heb de drang iets mee te delen.”

Op het dieptepunt van zijn depressie, midden jaren negentig, begon cabaretier Mike Boddé stemmen te horen, juist als hij bijna in slaap viel. Hij liep al tegen de dertig, maar woonde weer bij zijn ouders, omdat hij het in zijn eentje niet redde. Fantastische ouders, dat wel, maar hun oudste zoon, Mike’s broer Harry, lag dood te gaan aan kanker, dus wilde hij hen niet lastig vallen met zijn eigen doodsstrijd. In zijn boek Pil beschrijft Boddé de gruwelijke finale fase van zijn ziekte hartverscheurend. ‘Slapen was een van de weinige rustpunten die ik nog had, ik kon altijd uitzien naar de slaap. De slaap was een soort gevechtspauze voor me geworden. Een time-out om even te hergroeperen en korte tijd verlost te zijn van voortdurende angst, schaamte, walging, wanhoop, woede en vooral: die indringende gewaarwording van dreigend gevaar en onveiligheid, en dat altijd maar weer grijnzende smoel van Magere Hein achter m’n zelfmoordgedachten. Nu werd de slaap ook een probleem. Ik werd bang voor slapen.’

We zijn veertien jaar verder. Mike Boddé (1968) slikt trouw zijn levensreddende antidepressiva, zorgt samen met zijn vrouw Ineke voor hun twee schoolgaande kinderen, en heeft zijn creativiteit terug. Met zijn studie Chinees, die hij in 1995 met de moed der wanhoop voltooide, doet hij niets, maar toen hij veertig werd trakteerde hij zichzelf op een inmiddels afgeronde master Compositie aan het conservatorium in Den Haag. Hij schrijft muziek die binnenkort wordt uitgevoerd. Met Thomas van Luyn gaat hij een pilot maken voor een nieuw tvelevisieprogramma. „Het moet een comedyprogramma worden, terug naar de basics: één camera, één lamp, één piano, één gitaar. Heel simpel: op één plek veel sketches opnemen en dan pikken we de leukste eruit.”

In zijn door kinderspeelgoed en een vleugel gedomineerde huiskamer in het oude centrum van Maarssen vertelt Boddé hoe zijn depressie hem heeft gelouterd. Hij kan zijn bestaan relativeren en is beter gaan musiceren nu hij vooral voor zijn plezier piano speelt. „Als je zeven jaar vrijwel niets gedaan hebt, is vrijwel alles wat je onderneemt een bonus. Dat prestatiegerichte ben ik kwijtgeraakt. Heerlijk om daar van verlost te zijn.”

Zijn debuut Pil leest als een horrorachtig sprookje met een bevrijdend happy end. Drie jaar geleden besloot hij na flink aarzelen zijn ervaringen te gaan opschrijven. „Aanvankelijk dacht ik: dat moet ik niet doen, al die ellende oprakelen, straks glijd ik er weer in. Als ik nou Gerard Joling was… Vlak voordat het boek zou uitkomen, heb ik weer een twijfelperiode gehad. Totdat ik allerlei telefoontjes kreeg van mensen uit de psychiatrie die vonden dat ik moest doorzetten.”

De doorslag om tot publicatie over te gaan gaf het tv-programma Radar, waarin uitermate negatief over antidepressiva werd gesproken, een tendens die al langere tijd gaande is. Boddé: „Ik wil absoluut geen antidepressivamissionaris worden, maar als mijn positieve ervaring iets kan betekenen voor mensen is dat meegenomen.

„Gelukkig had ik niet het soort depressie waarin je voor niets meer belangstelling hebt, niets meer voelt, niets meer wilt. Ik had het omgekeerde: was voortdurend op de toppen van mijn zenuwen, wilde van alles, maar kon niets.”

Behalve een autobiografie is Pil ook het mythische verhaal van een jeugd, een eerbetoon aan zijn ouders en een monument voor zijn overleden broer, de rationele farmaceut en levensgenieter Harry Boddé (1950-1996). Tot het einde toe was diens motto dat interesse de motor van het leven is. De passage waarin Mike Boddé kort na de dood van broer Harry aan zijn rouwende vader vertelt over zijn eigen doodsgedachten, zijn erg sterk. „Ik heb moed moeten verzamelen om op te schrijven dat ik zelfmoord wilde plegen. Ik snakte er zo naar dat de pijn voorbij was, dat ik dacht: dan maar dood. Het was belangrijk dat ik er met mijn ouders over kon praten, dat heb ik als een enorme bevrijding ervaren. Weliswaar zag ik mijn vader in stukjes brokkelen, maar mijn moeder bleef er heel rustig onder.”

Schuilt er een fictieschrijver in Boddé? Zijn autobiografie is een compositorisch en stilistisch kunststukje, heeft dramatische kracht en de personages zijn met groot inlevingsvermogen neergezet. Wat let hem om de vrijheid die fictie biedt te gaan verkennen? „Als ik een nieuw boek ga schrijven, moet ik echt weer een grote drang voelen om iets mee te delen. Tot nu toe heb ik alleen maar sketches van hooguit drie A4-tjes geschreven en meestal ben ik dan wel uitgeluld. Een roman, met zo’n lange spanningsboog die grillig is, met pieken en dalen en alles wat daarbij hoort, heb ik niet in me, denk ik. Vooralsnog vind ik muziek maken nog veel te leuk. Ik voel me meer muzikant dan schrijver en ben niet van plan dagenlang achter mijn pc door te brengen. Niet voor niets zit er ook een cd bij mijn boek van de muzikale reis die ik heb afgelegd van ziek zijn naar beter worden.”

Het is bij drieën en Boddé gaat de kinderen van school halen. „Ik hoop ze op te voeden als hedonisten, niet als gelovigen. Mijn ouders hebben geprobeerd ons een geloof mee te geven, ik wil mijn kinderen juist meegeven dat je heel gelukkig kunt worden door zoveel mogelijk de dingen op te zoeken waar je plezier aan beleeft. Ik denk niet dat een geloof je kan behoeden voor narigheid.”

De pillen die hij slikt kunnen dat trouwens ook niet, benadrukt hij nog maar eens. „Mijn antidepressiva zijn geen gelukmakers maar gezondmakers. Voor geluk moet ik gewoon hard werken. Als ik de hele dag niets uitvoer, word ik somber. En nee, mijn medicijnen vlakken mijn emoties niet af en ook mijn creativiteit niet. Bij mij is er dankzij die medicatie juist weer ruimte gekomen voor echte emoties, ook voor piekervaringen en somberheid. Door die pillen kreeg ik mijn leven terug.”

Mike Boddé: Pil. Nijgh & Van Ditmar, 233 blz. € 19,95.