Bach pleister op duim Perahia

Klassiek Murray Perahia, piano. Werken van Bach, Beethoven, Schumann, Chopin. Gehoord: 21/3, Concertgebouw, Amsterdam. ****

Zoals de tuberculeuze Chopin iedere dag Bach speelde, en Schumann zijn depressies bestreed met Bach, zo laafde pianist Perahia zich aan Bachs partituren toen hij in de jaren negentig gewond was aan zijn duim.

Sinds die tijd speelt Perahia op vrijwel elk recital Bach, en dat doet hij met de eenvoud, de integriteit en de gratie van iemand die werkelijk weet wat hij te zeggen heeft.

In de serie Meesterpianisten gooide Perahia gisteren in het Amsterdamse Concertgebouw de poort naar de hemel open met Partita nr. 6 in e (BWV 830). Met de lyrische uitlijning van de stemmen, de subtiele kleuring van de noten, de organisch timing en dynamiek en de ruimtelijkheid van de harmonieën, speelde hij als de democraat onder de pianisten: alle stemmen kregen hun eigen karakter en intensiteit. Zo maakte hij aannemelijk dat Bach, als hij een eeuw later geleefd had, ook meesterlijke opera’s zou hebben geschreven.

Maar de zangerigheid waarmee Perahia de muziek benadert had een minder gunstig effect op Beethovens Sonate nr. 30 in E, op. 109. Het contrast tussen tedere lyriek en weerbarstige pathetiek werd gesmoord in een deken van zachtmoedige klankkleuren, zodat Beethoven mooi maar eenzijdig klonk.

Overtuigender mijmerde Perahia over kinderverlangens in Schumanns Kinderszenen. Ook met de elegante lichtvoetigheid van drie Mazurka’s en het Scherzo nr. 4 in E, op. 54 van Chopin wist Perahia te vervoeren. Maar alleen met diens ‘Aeolian Harp’-etude en de als toegift gespeelde Etude Opus 10, nr. 4 schoot Perahia muzikale vuurpijlen af.