Wallah: school is nakkoe = ik zweer: school is niks

Straatcultuur ondermijnt de schoolcultuur. Straatcultuur leidt tot spijbelen, taalachterstand en agressief gedrag. Scholen moeten de straatcultuur weren. Dus geen iPod in de les.

Voor de lift staat een groepje meisjes te wachten, allemaal gekleed volgens de laatste mode. Ze giechelen samenzweerderig als een stel jongens langsloopt. De jongens – dikke jassen, sneakers, gouden kettingen – proberen opzichtig de aandacht van het mooiste meisje te trekken. „A sma spang”, zegt een van de jongens: ze is lekker. Het meisje doet alsof ze niets hoort.

De meisjes gaan met de lift naar boven. Op de tweede verdieping stapt een lange, slungelige jongen in. Als één van de meisjes zijn gezicht ziet, roept ze in plat Rotterdams: „Zoooo, jij bent stoned hè!?” De jongen grijnst schaapachtig, waardoor zijn toch al kleine ogen worden samengeknepen tot spleetjes. Op de derde verdieping stapt hij uit. Hij trekt zijn pet over zijn ogen en sjokt naar de les.

Tien uur ’s ochtends op het ROC Zadkine aan het Hofplein in Rotterdam. Hier botst straatcultuur op schoolcultuur. De school probeert leerlingen discipline, structuur en zelfbeheersing bij te brengen. Ze moeten luisteren naar een docent. Ze moeten zich netjes gedragen en leren argumenteren in Algemeen Beschaafd Nederlands.

Straatcultuur is juist dominant en antiautoritair. Braaf leren is niet stoer. Laat opstaan, je zo min mogelijk inspannen en pronken met spullen, dat hoort bij straatcultuur. Net als blowen voor de les.

„Straatcultuur ondermijnt de school”, zegt socioloog Iliass El Hadioui, verbonden aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Hij heeft onderzoek gedaan naar de straatcultuur van Rotterdamse jongeren. Hij is een van de weinige sociologen in Nederland die straatcultuur zien als bron van overlastgevend gedrag. De heersende opvatting onder zijn collega’s is dat etnische en culturele factoren ertoe leiden dat bepaalde groepen voor overlast zorgen. „Ze vergeten daarbij hoe bepalend de straatcultuur is”, zegt El Hadioui.

De straatcultuur is ontstaan in de volkswijken van de stad, waar jongeren met de meest uiteenlopende culturen en achtergronden samen opgroeien. Zonder toezicht. Zonder moreel houvast. Surinamers, Antillianen, Marokkanen, Turken en Nederlanders in die wijken hebben met elkaar gemeen dat ze meer tijd op straat doorbrengen dan thuis. De relatie met hun ouders wordt veelal gekenmerkt door wederzijds onbegrip. Veel van hen zijn op zoek naar hun identiteit en hun plaats in de Nederlandse samenleving. Die vinden ze in een straatcultuur, die sterk is beïnvloed door Amerikaanse gangsterrap: machogedrag is normaal, geweld wordt verheerlijkt. De nadruk ligt op blingbling: snel geld verdienen en uiterlijk vertoon.

De straatcultuur ontstond onder nieuwe en oude Nederlanders in de arbeidersbuurten. Maar ze is inmiddels overgenomen door veel middenklassejongeren uit de voorsteden en de buitenwijken. Dat komt door het onderwijs. Veel mbo-scholen zijn samengevoegd tot leerconglomeraten, waar jongeren uit volksbuurten en middenklassewijken zich mengen. Voor middenklassejongeren is straatcultuur „een vlucht uit hun standaard saaie 9-tot-5-leven”, zegt El Hadioui. Ouders en school zijn voor hen nog altijd belangrijk. Anders dan bij jongeren uit de volksbuurten. Het is alleen de straatcultuur die hun gedrag bepaalt.

Zadkine is zo’n leerconglomeraat. Het instituut heeft 63 locaties in de regio Rijnmond, waarvan de meeste in Rotterdam. Ruim 20.000 leerlingen volgen er onderwijs, ruim de helft is allochtoon. Mbo-opleidingen variëren van horeca tot handel en van installatietechniek tot toerisme. Er zijn vier niveaus. Leerlingen op niveau 1 en 2 leren vooral uitvoerend werk. Leerlingen op niveau 3 en 4 worden klaargestoomd om leiding te geven binnen een bedrijf.

Op verschillende locaties van Zadkine deed El Hadioui onderzoek naar de band die leerlingen voelen met Rotterdam en met hun school. Hij raakte ervan overtuigd dat straatcultuur de school ondermijnt. Straatcultuur leidt volgens hem tot spijbelen, schooluitval, taalachterstand en agressief gedrag tegen docenten. Veel jongeren die door de straatcultuur zijn gevormd, maken hun school niet af. Ze missen de motivatie en de discipline.

Hij hield een logboek bij van zijn observaties. Naderhand gaf hij verschillende presentaties om docenten en schoolleiding op Zadkine ervan te doordringen dat de straatcultuur buiten de school moet worden gehouden.

Een van de locaties waar El Hadioui zijn onderzoek deed is de hoge toren van glas, staal en beton aan het Hofplein in Rotterdam. Hier zijn onder meer de opleidingen administratie, welzijn en handel gevestigd.

Grendizer (21) en Priest (23) staren uit het raam naar de Rotterdamse skyline. Ze zijn net de klas uitgestuurd omdat ze geen boeken bij zich hadden. Dus hangen ze rond in de grijze, onpersoonlijke gangen. Af en toe lopen ze naar de kantine, die is opgefleurd met goudkleurige stoelen en grote lampen. Om de tijd te doden spelen ze met hun telefoon.

Priest is van Kaapverdische en Angolese afkomst. Met zijn wijde zwarte spijkerbroek en nieuwe, knalrode sneakers ziet hij eruit als een rapper. Hij heeft geen vaste verblijfplaats. „Ik woon overal en nergens”, zegt hij stoer.

Grendizer is van Marokkaanse afkomst. Hij woont in Rotterdam Alexander, maar hij is opgegroeid in de volkswijk Ommoord. Hij gaat gekleed in een zwart overhemd en een zwarte spijkerbroek. hij draagt zwarte schoenen van Prada.

Grendizer en Priest studeren allebei bedrijfsadministratie. Ze zitten bij elkaar in de klas. Een allebei zijn ze trots op hun straatcultuur en hun straattaal.

„Als je op straat bent, spreek je straattaal”, zegt Grendizer. „Zeker met vrienden in je eigen buurt. Straattaal is in elke stad anders. Hier in Rotterdam gebruiken we veel Surinaamse woorden met een beetje Nederlands, Engels, Turks, Antilliaans en Arabisch.”

Om de haverklap gaat Grendizers telefoon. Een vriend sleutelt aan een auto, maar het lukt niet. Hij belt Grendizer steeds voor advies. Telkens als die ophangt, zegt hij: „Ciao men, later.”

Hier op de gang kunnen Grendizer en Priest gewoon straattaal praten. In de klas mag dat niet. Dus gebruiken ze vaak Nederlandse worden als camouflage. Brokko is straattaal voor ‘bekaf’. „Dus zeggen we in de klas: ‘ik ben broccoli’”, legt Grendizer grijnzend uit. „Dan zie je die leraar kijken.”

Het probleem van straattaal is dat die het taalniveau van veel leerlingen omlaag haalt. Schoolopdrachten en sollicitatiebrieven wemelen van de fouten. „Het taalgebruik is werkelijk dramatisch”, zegt Lisan Motké (43), teamcoördinator op de opleiding Handel. „Alle aanwijzende voornaamwoorden worden ‘die’. Die huis, die meisje, die boek. En dan hebben we het wel over leerlingen met niveau 3 en 4. Het mbo stond vroeger qua taal altijd hoog aangeschreven. Maar de regio Rijnmond heeft landelijk gezien nu het laagste taalniveau.”

Dat wreekt zich bij sollicitatiegesprekken. Leerlingen van Zadkine moeten vanaf het eerste jaar twee dagen per week stage lopen in de beroepspraktijk. Veel jongeren weten wel dat ze tijdens een sollicitatiegesprek geen straattaal moeten spreken. Maar ze kunnen niet anders meer.

„Tijdens sollicitaties kan ik gewoon niet op het Nederlandse woord komen”, zegt Cheryl Uitenwerf (17), een meisje uit het Rotterdamse Crooswijk met een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader. Ze zit in het tweede jaar van de kappersopleiding en staat in de klas die is ingericht als kapsalon. Aan de muren hangen spiegels. Terwijl ze bezig is met het haar van een klasgenoot, vertelt ze hoe moeilijk ze het vindt om correct Nederlands te spreken. „Zeg ik ‘onmin lauw’ in plaats van... Ja, zie je. Wat is het normale woord voor ‘onmin’ eigenlijk? Dat weet ik niet eens. Ik hoor de hele dag alleen maar straattaal, zelfs mijn moeder spreekt het.”

Straatcultuur dringt niet alleen via taal de school binnen, ook via msn, mp3-spelers en YouTube. Neem een willekeurige les Leer en Loopbaan Burgerschap van de opleiding Administratie. In de klas zitten bijna alleen allochtone leerlingen. Ze moeten zelfstandig opdrachten doen achter de computer. Tijdens de les heeft zeker de helft de oortjes van telefoon of mp3-speler in. Een donker meisje zit te dansen in haar stoel als er een leuk liedje langskomt. „Wat moeten we doen?” vraagt ze aan de jongen tegenover haar. Hij heeft een diadeem in zijn kroeshaar, twee diamanten oorbellen, zware kettingen om zijn nek, een gouden voortand en een dikke jas die hij de hele les aanhoudt. „Doeopdrachten”, zegt hij verveeld.

Een klein, donker meisje met lange nagels die in alle kleuren zijn gelakt, heeft de hele les msn aanstaan. Om de paar minuten begint het icoontje rechtsonder op haar scherm te knipperen. Ze antwoordt vliegensvlug met een paar woorden of een zin en gaat dan weer verder met haar werk of met surfen op internet. Vooral websites van hiphopsterren vindt ze interessant. Die klikt ze snel weg als de docente langskomt. Msn laat ze gewoon aanstaan. De docente zegt er toch niets van.

De meest bedreigende uitingen van straatcultuur voor docenten zijn agressie en geweld. Vorig jaar waren er op de 63 locaties van Zadkine 142 incidenten met geweld. In de meeste gevallen ging het om ruzies tussen leerlingen. Soms waren docenten zelf doelwit. Ze praten er niet graag over. Ze zeggen dat het allemaal wel meevalt. Na aandringen komen de verhalen pas los. „Je zou hier eens een uurtje op de gang moeten staan”, zegt teamcoördinator Motké. „Docenten zijn pas onder de indruk als leerlingen zeggen: ‘ik steek je banden lek’.”

Elly Saarloos, directrice van de opleiding Handel, vertelt over twee collega’s, Arie en Pieter. „Twee doorgewinterde docenten die zich echt niet zomaar laten intimideren. Ze vroegen aan een jongen of hij zijn petje wilde afdoen. Die jongen ontplofte. Hij maakte zich breed en ging op ze af. Hij zei: ‘wat moet je nou?’ Ze voelden zich echt bedreigd.”

Veel incidenten ontstaan als leerlingen het gevoel hebben dat hun onrecht wordt aangedaan, of dat nu terecht is of niet. Saarloos vertelt over Nadia, een meisje dat ze aanspoorde om excuses aan te bieden aan een docent. Dat bleek ze al gedaan te hebben. „Niets ernstigs, zou je denken, maar ze voelde zich meteen aangevallen. Ze werd woedend en schreeuwde: ‘Jullie vertrouwen me niet’. Het is opvallend hoe snel leerlingen in de verdediging schieten.”

Dat heeft vaak te maken met gezichtsverlies, het ergste wat je in de straatcultuur kan overkomen, legt socioloog El Hadioui uit. „Op straat draait alles om ‘respect’. Niet in de betekenis van waardigheid tegenover anderen. Jongeren willen dat anderen ontzag voor hen hebben. Ze mogen vooral niet worden ‘gedist’: met disrespect behandeld. Dat tast hun eergevoel aan. Soms slaan ze terug.”

Veel docenten vinden het moeilijk om te gaan met agressief gedrag. Daarvoor kunnen ze op Zadkine cursussen volgen. Die trainingen zijn begonnen op niveau 1 en 2. Inmiddels worden ze ook gegeven aan docenten van niveau 3 en 4.

Op het ROC Zadkine begint pas net te dagen dat straatcultuur de school ondergraaft. Dat besef groeit sinds socioloog Iliass El Hadioui in februari vorig jaar tijdens een onderwijsconferentie een presentatie hield. Naar aanleiding daarvan verscheen in Beeldspraak, het tijdschrift van Zadkine, een artikel over straatcultuur. Veel voorbeelden die daarin werden genoemd, kwamen de docenten maar al te bekend voor. „Het gedrag dat docenten in de klas zagen, kreeg ineens een theoretisch kader, zegt Matthijs van Muijen, adviseur van het college van bestuur van Zadkine.

Een jaar later heeft Zadkine nog geen centraal beleid voor het omgaan met straatcultuur. Alle leerlingen moeten wel een deelnemersstatuut ondertekenen als ze onderwijs willen volgen. Daarin staat dat geweld en het gebruik van mobieltjes en mp3-spelers in de klas niet is toegestaan. Maar de afzonderlijke opleidingen hebben grote autonomie. De verschillen in de houding tegenover straatcultuur zijn groot.

Neem straattaal. Taalonderwijs heeft bij Zadkine al jaren prioriteit. Vorig jaar is er een Taal- en Rekencentrum opgericht om het taalniveau te verhogen. Maar lang niet alle opleidingen verbieden het spreken van straattaal in de klas. Als ze dat wel doen, wordt het verbod niet altijd gehandhaafd. Docenten die op meerdere opleidingen lesgeven, weten niet waar ze aan toe zijn.

Zelfs als er op Zadkine wel algemene regels voor de omgang met straatcultuur zijn, blijft de praktijk weerbarstig. Het gebruik van YouTube, telefoons en mp3-spelers is dan wel verboden, maar op veel plaatsen wordt het oogluikend toegestaan omdat docenten geen zin hebben de leerlingen steeds terecht te wijzen.

Schooladviseur Van Muijen heeft begrip voor die gedoogcultuur. „Als je alle regels toepast, heb je als docent een probleem. Dat kost zoveel inspanning dat je niet meer aan lesgeven toekomt. Het doel van de docent is toch om leerlingen een diploma te laten halen.”

Socioloog El Hadioui vindt dat de school geen concessies aan de straatcultuur moet doen. De mannelijke straatcultuur overweldigt de vrouwelijke schoolcultuur. Straatcultuur moet koste wat kost uit de school worden gebannen. „Dus geen iPod aan tijdens de les. Geen YouTube-filmpjes kijken of msn’en. Dat schaadt de schoolprestaties. Docenten moeten duidelijke grenzen stellen.”

Dat was zijn boodschap op 29 januari aan een aantal locatiedirecteuren van Zadkine die hem hadden uitgenodigd om te praten over straatcultuur. Tot zijn eigen verbazing hoefde hij ze niet te doordringen van de ernst van het probleem. Hij kreeg meteen het verzoek met een plan te komen.

El Hadioui wil trainingen en cursussen geven, zodat docenten weten hoe ze met bepaalde situaties moeten omgaan. „Ze moeten in elk geval weten wat straatcultuur inhoudt, welke normen en waarden daarbij horen. Dat leidt tot andere straffen en beloningen. Daarmee kunnen in hun lessen rekening houden”, zegt El Hadioui.

„Stel: een jongen daagt de docent uit. Hij doet ontzettend stoer in de les. De docent kan hem terechtwijzen en boos reageren, maar dat werkt niet. Dat verhoogt juist zijn status en dat is precies wat hij wil.

„De docent kan ook zeggen: leg jij opdracht 2 even uit. Zo verschuift de aandacht naar een gebied waar de jongen niet kan excelleren. Omdat hij de aandacht van de klas heeft, moet hij wel antwoord geven om geen gezichtsverlies te lijden. Zo betrek je een leerling weer bij les. Door gebruik te maken van de codes van de straatcultuur.”