Vrijpleiten is niet hetzelfde als rehabilitatie

Na acht jaar komt er mogelijk een einde aan de zaak-Lucia de B. Haar medestanders vinden dat het OM haar eigen feilen in de kwestie wegpoetst.

‘Van Lucia de B. kan ik met meer zekerheid zeggen dat ze geen moord heeft gepleegd dan van advocaat-generaal Rijkers. Van haar weet ik ongeveer alles, van hem niks.” Wetenschapsfilosoof Ton Derksen is boos. Hij schreef in 2006 een dik boek over Lucia de B. met de veelzeggende ondertitel: Reconstructie van een gerechtelijke dwaling. Mede dankzij dit boek besloot de Hoge Raad in 2008 tot herziening van de zaak tegen de Haagse verpleegkundige Lucia de B. Zij werd in 2004 tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens zeven moorden en drie pogingen daartoe. In totaal bracht zij zes jaar en vier maanden door in de cel. De herziening van haar zaak mocht zij in vrijheid afwachten.

Afgelopen woensdag eiste advocaat-generaal Jan Willem Rijkers voor het Hof van Arnhem vrijspraak. Als het hof conform de eis vonnist, op 14 april, zal de zaak-Lucia de B. de geschiedenis ingaan als een van de grootste gerechtelijke dwalingen.

Het doel van Derksen – Lucia de B. vrij krijgen – is dichter bij dan ooit, toch is hij boos. „Lucia wordt niet gerehabiliteerd. In zijn requisitoir zegt Rijkers dat er onvoldoende zekerheid is om Lucia voor moord te veroordelen. In haar strafblad zal genoteerd worden dat de verdenkingen niet bewezen konden worden. Dat is buitengewoon kwalijk, gezien het leed dat door ditzelfde OM is veroorzaakt.”

Derksen wijst op het mechanisme van conversational implicature, een begrip uit de taalfilosofie. „Als je zegt dat iets niet bewezen is, dan wordt door iedereen begrepen dat het onbewezene heel wel plaats gehad kan hebben. Er blijft een verdenking, die helaas niet bewezen kan worden. Op deze manier krijgt ze alsnog levenslang.”

Rijkers ontzenuwde afgelopen woensdag op systematische wijze de bewijsredenering van het Haagse gerechtshof, dat de zaak in 2004 in hoger beroep behandelde. Anders dan het Haagse hof betoogde had nader onderzoek uitgewezen dat het wel degelijk mogelijk was om twee sterfgevallen aan andere oorzaken toe te schrijven dan alleen aan „menselijk handelen”, lees: moord. Op grond van deze twee „bewezen” moorden waren, volgens het principe van het „schakelbewijs”, de overige ten laste gelegde levensdelicten door het hof bewezen verklaard. Door het wegvallen van de basis van het schakelbewijs kon De B. volgens Rijkers ook niet veroordeeld worden voor de rest van de levensdelicten. Ten aanzien van het omstreden schakelbewijs zelf volstond hij met de kwalificatie „bijzonder”.

Pas aan het eind van zijn vijftien A-4tjes tellende betoog formuleerde Rijkers zijn eis: vrijspraak. Lucia de B. (46) hoorde de conclusie van de advocaat-generaal uiterlijk onbewogen aan. Ze kneep alleen, net als tijdens de rest van de zitting, steeds in haar rechterarm. Die is verlamd sinds zij vier jaar geleden getroffen werd door een herseninfarct. Aan het begin van de zitting had zij naar aanleiding van vragen van hofpresident Van den Heuvel gezegd voortdurend pijn in die arm te hebben. Met eenzelfde zachte stem had zij ook bekend „bang” te zijn. „Ik heb van rechters niets dan narigheid ondervonden.” Aan het eind van de zitting maakte ze gebruik van de uitnodiging een laatste woord te spreken om „uit de grond van mijn hart” al die mensen te bedanken die „al die jaren in mijn onschuld zijn blijven geloven”.

Arts Metta de Noo, zus van Ton Derksen, was één van die mensen. Zij nam het voortouw bij het onderzoek naar de zaak. Ze vindt het betoog van advocaat-generaal Rijkers „helder in zijn analyse van de ondeugdelijkheid van de bewijsvoering, maar onbevredigend in de daaraan verbonden conclusies”. „Ons rechtsysteem laat niet toe om te zeggen dat iemand onschuldig is, zo heb ik begrepen. Hooguit kan men stellen dat er niet voldoende bewijs is. Dat is onmenselijk, omdat de verdenking blijft bestaan. Uit een kleine enquête onder verpleegkundigen van het blad Bijzijn blijkt slechts 56 procent in haar onschuld te geloven. Ik vind het dan ook onverteerbaar dat het rapport van toxicoloog en arts Jan Meulenbelt, waaruit blijkt dat de betrokken patiënten een natuurlijke dood stierven, niet openbaar wordt gemaakt. Daar moet je mensen naar kunnen verwijzen.”

De Noo betreurt het dat „er geen enkel mea culpa af kan”. „Rijkers uit kritiek op het hof dat Lucia veroordeelde terwijl hij zijn eigen OM niet eens noemt. Maar niet het hof maar het OM heeft voortdurend achter haar aangejaagd.”

Volgens De Noo had het OM excuses moeten aanbieden, aan Lucia, en aan de ouders van de overleden kinderen. Op de zitting las de president een brief van een vader voor, die zich erover beklaagde door de rechtszaak nog steeds niet aan verwerking van het verlies van zijn kind te zijn toegekomen. De Noo: „Ons is steeds verweten geen respect voor de rechters en de nabestaanden te hebben, maar het was het OM dat met deze op niets gebaseerde beschuldigingen kwam. Het had moeten zeggen: Lucia, het spijt ons verschrikkelijk wat we je hebben aangedaan.”

Strafrechtadvocaat Jan Boone, die het requisitoir las op verzoek van deze krant, is het daarmee eens. „Ik zou mijn betoog begonnen zijn met de mededeling dat ik vrijspraak zou gaan vorderen. De cliffhanger die Rijkers ervan maakt is bijna een vorm van sadisme. Vervolgens had ik mijn diepste excuses aangeboden voor het leed dat Lucia de B. is aangedaan.”

Boone wijst op één „cruciale” zinsnede, waarin Rijkers verwijst naar de „diepe overtuiging dat verdachte inderdaad verantwoordelijk is voor een groot aantal al dan niet fataal afgelopen voorvallen met ziekenhuispatiënten”. Boone: „Die ‘diepe overtuiging’ kenmerkt de strafrechtspraak in dit land. Er heerst een veroordelingscultuur. Men is niet uit op het vinden van de waarheid, maar op veroordeling. De gedachte is: mevrouw De B., u staat hier niet toevallig, het kan niet zo zijn dat u onschuldig bent. Normaal is dat er aanwijzingen en bewijzen zijn en dat daaruit een overtuiging voortvloeit. Maar bij het OM en de rechters is het eindpunt uitgangspunt. En dan gaat de vermeende leugenachtigheid van mevrouw een rol spelen, bij gebrek aan bewijs.”

Het is niet Boones enige grief. „Deze zaak is één groot pleidooi voor juryrechtspraak. Ons systeem, van een elite die be- en veroordeelt, verbijstert Amerikanen: hoe kan het dat je niet door je gelijken wordt beoordeeld? Je ziet ook hier weer de advocaat-generaal zijn eigen stand beschermen. De rechters pakt hij aan met zijden handschoenen, over de schandelijke praktijken van zijn eigen OM, heeft hij het eenvoudigweg niet. Hij zegt zelfs in het begin: ‘meer, beter of anders te construeren bewijs is in het dossier niet aanwezig’. Het is doodeng.”

Theo de Roos, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg , ziet een „klinische analyse”. „Die leidt tot te veel twijfel en die leidt weer tot de vordering van vrijspraak voor de levensdelicten. Het is op zichzelf een goed en correct verhaal.” De Roos vindt dat het OM voor de verdenking zelf geen excuses hoeft te maken, wel had het meer aandacht kunnen geven aan de mogelijkheid van Lucia’s onschuld. „Als men stelt dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van levensdelicten, dient men ook rekening te houden met haar onschuld. Dan was het gepast geweest als men had stilgestaan bij de lugubere nachtmerrie waarin zij terechtgekomen is. Het betoog is in die zin te eenzijdig. Rijkers permitteert zich terug te kijken, maar, zou ik zeggen, overzie dan alles. Verwijs dan ook naar het rapport van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken dat kritisch is geweest over het OM. Door een verwijzing daarnaar had hij niet door het stof gehoeven. Ik ben het overigens niet eens met Jan Boone dat er een veroordelingscultuur bestaat: er zijn ook heel veel vrijspraken.”

In zijn pleidooi aan het slot van de zitting stelde Stijn Franken, verdediger van Lucia de B., dat „een vorm van zelfonderzoek menigeen zou sieren”. Hij zei ook: „Op de gezamenlijke schouders van politie, Openbaar Ministerie, getuigen, rechterlijke colleges, ingeschakelde deskundigen en ook raadslieden, rust de opdracht om na te gaan hoe het zo verschrikkelijk mis is kunnen gaan.” Na hem schetste medeverdediger Ton Visser het leven van hun cliënte vanaf 16 december 2001. Toen werd zij gearresteerd met „intimiderende overmacht”. Een afgeluisterd telefoongesprek over de medicatie van haar terminaal zieke opa was het startsein geweest. Visser vertelt hoe Lucia de B. daarna „uur na uur, dag in dag uit, week in week uit” verhoord wordt. Hoe er A-4tjes op de muren van haar cel worden gehangen met teksten als ‘Ik ga praten’ en ‘Ik beroep me op mijn zwijgrecht’. Hoe zij niet een borduurwerkje van dertig bij dertig centimeter mag hebben, omdat anders de brandweer niet snel genoeg door haar cel kan rennen. Hoe dergelijk „getreiter” de gevangenschap voor haar „een regelrechte hel” maakt. En hoe haar na haar voorlopige vrijlating een invaliditeitsuitkering onthouden wordt omdat ze in de gevangenis niet verzekerd was.

Tijdens dit relaas kijkt Lucia de B. voor het eerst geregeld opzij, naar Visser. Bijna onmerkbaar knikt ze iedere keer instemmend.

Lees het requisitoir via: nrc.nl/binnenland