Veldiep en fladderiep

Karel Knip

Komt het nog goed met de iepen? Morgen is het alweer 21 maart en nog steeds hebben de iepen aan de Amsterdamse grachten niet gebloeid. De afgelopen jaren raakten ze vaak al voor half februari in bloei, wie rond die tijd jarig was en een zware iep voor het huis had staan kon jaar in jaar uit over de slagroomtaartjes naar de zacht roze bloesem kijken.

Maar dit jaar zag hij niets over zijn taartje. Kale stammen, kale takken met zelfs niet de typische dikke knoppen waaruit de iep zijn bescheiden bloempjes perst. Boomkruipertjes kropen vreugdeloos van tak naar tak. Meesjes meesmuilden. Alleen de halsbandparkieten hielden de stemming erin. Zij hadden voor het eerst in hun leven sneeuw zien vallen en raakten daarover niet uitgepraat. Misschien kwamen er nog meer verrassingen!

Is de natuur ontregeld door de koude winter? Ook het eerste kievitsei is dit jaar laat gevonden: pas op 16 maart, dat is de 75ste dag van het jaar. ’t Werd gevonden in de biblebelt bij Bunschoten, om 9.30 uur. Een uur later werd bij vliegbasis Leeuwarden een identiek ei gesignaleerd. Dat is van belang want het ‘Compendium voor de leefomgeving’ schijnt alleen Friese kievitseieren te registreren. De laatste jaren werd het eerste kievitsei (dat volgens oud gebruik door de koningin wordt opgegeten) regelmatig al op de 67ste dag van het jaar gevonden. Voor 1960 lag de datum gemiddeld rond de 78ste dag. Kijk het na in het Compendium op internet.

Ook de Britten melden een late lente. De Woodland Trust heeft aan de BBC laten weten dat de blackthorn (de sleedoorn, Prunus spinosa) in Engeland meestal half maart in bloei staat en dat vrijwilligers dat altijd bij duizenden bij de Trust komen melden, maar dat tot op heden taal noch teken van de vrijwilligers was vernomen.

Het is een trendbreuk die klimaatsceptici wel zullen weten te waarderen. Fenologische waarnemingen van de genoemde soort (eerste kievitsei, de bloei van de paardekastanje, de aankomst van tjiftjaf en gierzwaluw, de eerste vlucht van de dagvlinders) zijn de laatste jaren juist volop gebruikt om de indringende gevolgen van het broeikaseffect te onderstrepen en de vraag is nu: hoe verwerken wij een trend die detoneert?

Nee! Eigenlijk is er een andere vraag. Zijn alle fenologische waarneming wel even geschikt om er klimaatverandering mee aan te tonen? Juist deze week heeft Science een artikel dat de getrainde fenoloog aan het twijfelen kan brengen. De Zwitserse botanici Christian Körner en David Basler noteren in een kalm stukje dat er van boom tot boom grote verschillen zijn in de invloed die klimaatverandering überhaupt kan hebben op het uitlopen van bloem- of bladknoppen. Soorten als de sering (Syringa) reageren tamelijk recht-toe-recht-aan op hogere temperaturen, maar de haagbeuk (Carpinus) eist voldoende winterkou (voldoende ‘chilling’) om in het voorjaar te kunnen uitlopen. De beuk (Fagus) reageert in eerste instantie op de groeiende daglengte in het voorjaar, als er tenminste voldoende winterkou is geweest. De fijnregeling in het uitlopen komt van de voorjaarstemperatuur.

Zelfs al zouden winter en lente almaar warmer worden, waarschuwen Körner en Basler, dan zullen boomsoorten als beuk en eik niet almaar evenredig vroeger in blad raken. Ze lopen vroeg of laat vast op onvoldoende daglengte. Vreemd genoeg zijn het vaak niet-inheemse bomen (zoals de paardekastanke en de kers) die de klimaatverandering het best beschrijven. Ook de sering, zonder behoefte aan een speciale daglengte of winterkou, voldoet uitstekend.

Het komt hier op neer: als er iets niet verandert aan het eerste moment van groei of bloei dan hoeft dat niets te zeggen over klimaatverandering. Maar als er iets wel verandert ook niet. Dat het eerste kievitsei na 1950 steeds vroeger gevonden werd kwam tot aan 1970 vooral door de verhoging van de mestgift op het Friese grasland en door ontwatering, zegt het Compendium. De bodemprocessen kwamen daardoor eerder op gang, het gras ging sneller groeien en van de weeromstuit legde de kievit zijn ei. Na 1970 is de legvervroeging wèl toe te schrijven aan hogere temperaturen. Albert Beintema heeft het uitgezocht en beschreven in Ardea (1985). Let wel: tussen 1940 en 1970 werd het in Nederland niet warmer maar kouder.

En de iep? Wordt dat nog wat? Ja en nee. De bomen die bloemknoppen hebben staan op het punt in bloei te raken, dat is niet zo vroeg als de laatste paar jaar gebruikelijk was maar niet uitzonderlijk laat. Het punt is: de meeste bomen hèbben bijna geen bloemknoppen. Dat is, zegt Nederlands meest vooraanstaande iepenkenner Hans Heybroek, waarschijnlijk een reactie op de uitbundige bloei in 2009 die gevolgd werd door een ongekende vruchtzetting. Kennelijk is dit jaar een beurtjaar. Ook sommige appelrassen hebben zo’n afwisseling van uitbundige bloei met jaren zonder bloesem. Telers haten zulke rassen,

De oude iepen van grachten en parken zijn meestal kruisingen van de veldiep en de bergiep die hier beide, net als de fladderiep, echt inheems zijn. Ook van deze hybriden mag je dus verwachten dat ze zijn aangepast aan klimaat en lichtregime van noordwest Europa. Maar of de bloei van de iep wordt geregeld door de daglengte wist Heybroek niet, ’t leek hem sterk. Wel heeft de iep, net als beuk en haagbeuk, een duidelijke koubehoefte om de ingebouwde remming van het uitlopen op te heffen.

Na de winter reageert de iep voor wat betreft zijn bloei inderdaad sterk op de voorjaarstemperatuur. Je ziet het als je een nog kale iepentak in huis haalt: binnen een paar dagen zijn er bloemen In principe mag de iep dus meedoen in de fenologie.

In 2009 verscheen bij de knvv: ‘Iep of Olm. Karakterboom van de Lage Landen’. Auteurs Hans Heybroek, Leo Goudzwaard en Hans Kaljee.