Veel wijst op een Iraanse bom

Iran zegt dat het zijn atoomprogramma zuiver is bedoeld voor vreedzame doelen. Maar internationaal wantrouwen groeit.

Iran weerspreekt stelselmatig beschuldigingen dat het aan een atoombom heeft gewerkt of werkt. Opperste leider ayatollah Khamenei hamert erop dat de islam bezit van kernwapens niet toestaat. Maar de aanwijzingen dat er wel degelijk een militair programma is lijken eerder toe- dan af te nemen.

In 2003 gaf Iran schoorvoetend toe dat het een uitgebreid civiel nucleair programma had waarvan een groot deel geheim was gehouden. In augustus 2002 was het bestaan van het geheime deel onthuld, een jaar later konden inspecteurs van het atoomenergie-agentschap IAEA zelf vaststellen dat bij Natanz boven én onder de grond een fabriek voor uraniumverrijking in aanbouw was en bij Arak een zwaarwaterfabriek werd geplaatst. Ook verrees daar een kernreactor die dat zwaar water ging gebruiken. Ook bleken er installaties in aanbouw voor het zuiveren en omzetten van uraniumerts.

De geheimhouding was in strijd met de regels van het Non-Proliferatie Verdrag waaraan Iran zich sinds 1970 heeft te houden. Maar Iran kon er een redelijke verklaring voor geven: westerse staten hadden lang niet zoveel materiaal en goederen geleverd wanneer ze hadden geweten dat het voor een nucleair programma was.

Sinds 2003 spannen IAEA-inspecteurs zich in om historische en huidige nucleaire activiteiten van Iran in kaart te brengen. Aanvankelijke Iraanse medewerking sloeg in 2005 om in taai verzet. De VN-Veiligheidsraad eiste op 31 juli 2006 dat Iran het verrijken van uranium en het terugwinnen van plutonium bevroor. Ook al omdat de IAEA-inspecteurs de indruk hadden gekregen dat mogelijk aan wapenontwikkeling werd gewerkt. In latere resoluties eiste de Veiligheidsraad ook opschorting van het werk aan zwaar water en legde hij diverse sancties op.

Het wantrouwen in de bedoelingen van Iran berust vooral op:

de waarneming dat de meeste nucleaire instituten onder militaire controle staan.

De ongerijmdheid dat de reusachtige kerncentrale die bij Bushehr door Russische technici wordt voltooid door Rusland zelf van splijtstof wordt voorzien. Het Iraanse uranium is helemaal niet nodig. Ook de splijtstof voor de oude Amerikaanse onderzoeksreactor in Teheran kan door het buitenland geleverd worden.

De zwaarwaterreactor, de IR-40, die bij Arak in aanbouw is, geldt als een reactor voor plutoniumproductie. Plutonium kan praktisch gesproken alleen in een kernwapen worden gebruikt. Iran heeft volgens het IAEA nooit kunnen aantonen dat de IR-40 echt een onderzoeksreactor is.

Het programma voor uraniumverrijking steunt op de know-how van het nucleaire netwerk rond de Pakistaanse metallurg dr. A.Q. Khan. Dat netwerk maakte ook contact met Libië en leverde dat land probleemloos een blauwdruk voor een atoombom. Ook Iran zou veel meer informatie en materiaal van het netwerk gekregen hebben dan voor het opzetten van een verrijkingsfabriek nodig is.

Iran bezit ook veel informatie over de productie van metallisch uranium uit diverse uraniumverbindingen en voor het gieten en bewerken van halve bollen uit uraniummetaal. Precies in deze vorm wordt uranium in een kernwapen gebruikt. Het IAEA vindt dat Iran deze interesse niet afdoende heeft verklaard. Iran houdt staande dat de informatie ongevraagd door het netwerk werd geleverd.

Die uitweg is er niet voor de proeven die Iran deed met de terugwinning van plutonium uit bestraalde splijtstof en voor de bestraling van bismut met neutronen in de Teheran-reactor. Bij dat laatste ontstaat polonium-210 dat, in combinatie met beryllium, een klassieke toepassing kent als neutronenontsteker van een atoombom. Iran zegt dat de bedoeling was het polonium in een nucleaire batterij te gebruiken, het IAEA gelooft het niet.

Een heel nieuwe situatie ontstond toen Amerikaanse inlichtingendiensten halverwege 2005 met Duitse hulp in het bezit kwamen van informatie uit een laptop computer die kennelijk door een Iraanse onderzoeker was gebruikt. Het IAEA en Iran zelf hebben er slechts een deel van mogen zien. Iran heeft bevestigd dat een deel van de getoonde documenten authentiek is maar doet het verder af als een mogelijk Israëlische vervalsing.

De computer-documenten bevatten onder meer beschrijvingen van experimenten met hoog-explosieve stoffen zoals worden toegepast in kernwapens, inclusief de snelle elektronische ontstekers. Daarnaast het ontwerp van een raketkop met ruimte voor een kernbom. En schema’s voor de aanleg van een 400 meter diepe schacht op 10 km afstand van een commandocentrum – typisch voor een ondergrondse kernproef.

Afgelopen december bleek de Britse Times in het bezit van een Iraans document waarin een veel modernere neutronen-ontsteker werd beschreven dan de polonium-beryllium combinatie. Alweer een vervalsing volgens Iran. Maar ook elders bestaat onzekerheid over de waarde van het document.

Tegen deze achtergrond bezien is de sterkste aanwijzing dat Iran wel degelijk aan een kernwapen werkt de ontdekking (in 2007) dat een Iraans-Duitse zakenman zeer gespecialiseerde snelle camera's en diverse stralingsmeters voor gebruik in agressief milieu naar Iran probeerde te smokkelen. Beide zijn bij uitstek geschikt voor onderzoek aan proefexplosies met kernwapens.