Toezicht Lehman faalde overal

Het onlangs verschenen onderzoeksrapport naar de ondergang van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers schetst een onthutsend beeld over de toezichthouders.

Wie hoopt het geven van meer macht aan toezichthouders een volgende financiële crisis zou kunnen helpen voorkomen, moet het onderzoeksverslag over de ondergang van zakenbank Lehman Brothers maar eens goed nalezen. De Amerikaanse beurswaakhond SEC, de centrale bank Fed en het Amerikaanse ministerie van Financiën hebben Lehman binnenste buiten gekeerd, al vóór de ondergang.

De toezichthouders hadden misschien de zogenoemde ‘Repo 105-transacties’ moeten traceren. de boekhoudkundige trucs om tijdelijk en kunstmatig de balans te verkleinen. Na de ineenstorting van Bear Stearns in maart 2008 nestelden de toezichthouders zich immers bij de firma om Lehman in de gaten te houden, en met name diens liquiditeitspositie. Het is geen reclame voor hun onderzoeksvaardigheden dat ze er niet in zijn geslaagd aan het einde van elk kwartaal grote, maar kortstondige veranderingen te ontdekken.

Dat wil niet zeggen dat ze volslagen blind waren. Maar wanneer ze anomaliteiten signaleerden leken ze vaak in verwarring over hun rol, schoven ze de hete aardappel door, werkten niet samen of zetten ze het management van Lehman niet onder druk.

De teams van Fed en SEC werkten evenmin goed samen: informatie werd wel gedeeld, maar lang niet altijd. Een flagrant voorbeeld is hoe Lehman nog steeds bezittingen tot zijn liquiditeitspositie kon rekenen, die tegenpartijen als JP Morgan, Citigroup, Bank of America en HSBC als onderpand hadden aanvaard – nóg een lapmiddel, dat net als bovengenoemde ‘Repo 105’ was bedoeld om de balans er gezonder te laten uitzien.

De Fed was er halverwege augustus 2008 van op de hoogte, maar de SEC kwam er pas een paar dagen vóórdat de firma in september surséance van betaling moest aanvragen achter hoeveel onderpand hiermee was gemoeid.

Niet dat de Fed ook maar iets met deze informatie deed. Zijn team bracht voor zijn eigen doeleinden als kredietverstrekker de bezittingen, die door anderen als onderpand waren aanvaard, in mindering op de liquiditeitspositie van Lehman, maar gaf de bank nooit opdracht dit zelf ook te doen – en lichtte de SEC ook niet in over dit gesjoemel. Het verslag laat Fed-onderzoeker Jan Voigts zeggen dat „hoe Lehman zijn liquiditeitspositie weergeeft, iets is tussen Lehman, de SEC en de wereld.”

Het blikveld van de SEC was feitelijk niet veel groter. Staflid Matthew Eichner verklaarde tegenover onderzoeker Anton Valukas dat de waakhond „er geen probleem mee had te leven in een wereld, waarin de cijfers die in de openbaarheid werden gebracht de cijfers waren die de firma’s met hun accountants hadden afgesproken, terwijl de SEC zelf met heel andere cijfers werkte.”

De SEC kende een langere geschiedenis waarin het management niet ter verantwoording was geroepen. De SEC stelde begin 2008 al vast dat Lehman wel eens meer problemen zou kunnen ondervinden bij het waarderen van zijn illiquide bezittingen dan zijn branchegenoten, omdat het team dat dit moest doen onderbezet en overmatig ‘procesgedreven’ was. De SEC vertelde dit niemand.

Bovendien wist de SEC ook dat Lehman zijn risicolimiet had overschreden in zijn vastberadenheid een grotere speler te worden op het gebied van bedrijfsovernames en commercieel vastgoed – de illiquide bezittingen die uiteindelijk tot zijn ondergang zouden leiden (en die de SEC over het hoofd zag bij zijn eigen stresstests voor Lehman). De reactie van de SEC is volgens Valukas bijkans onvoorstelbaar: „De SEC zocht niets achter de zakelijke besluiten van Lehman, zolang de limietoverschrijdingen maar binnen het beheer van Lehman bleven.” Met andere woorden: de SEC vond het voldoende zich ervan te vergewissen dat de firma op zijn formulieren netjes de puntjes op de i zette.

Er was in elk geval één toezichthouder die de excessen opmerkte en er ook iets van zei: het minder vooraanstaande Office of Thrift Supervision, dat zich tijdens de crisis zo graag van zijn taken wilde kwijten dat het er volledig door in beslag genomen leek. Toch was dit de enige toezichthouder die Lehman hekelde wegens het nemen van buitensporige risico’s, eerst in het jaarverslag 2007 en vervolgens in een in juni 2008 verschenen rapport over de vastgoedactiviteiten. Lehman was „materieel te kwetsbaar” en schuldig aan „grote fouten” bij zijn risicobeheer.

Juni 2008 was uiteraard te laat: de pogingen van Lehman om een koper te vinden voor zijn commerciële vastgoedportefeuille, of voor de hele firma, waren toen al gestrand. De besluiten van het management hebben de firma de das omgedaan. Misschien hadden de toezichthouders de ondergang van Lehman nooit kunnen voorkomen, ook niet als zij geen fouten hadden gemaakt. Maar zij moeten nu wél aantonen dat ze veel meer kunnen dan – zoals Valukas het omschrijft – „hun activiteiten beperken tot het verzamelen van gegevens en het gadeslaan van bedrijven” om in de toekomst effectiever te kunnen zijn. (Breakingviews)

Vertaling Menno Grootveld