Rivieren in Oost-Azië meanderen sterker onder invloed van cyclonen

In het meer of minder kronkelen van rivieren weerspiegelt zich het regenklimaat dat de rivier in zijn geschiedenis heeft doorstaan. Dat geldt vooral, of misschien uitsluitend, voor rivieren in subtropisch bergachtig gebied dat regelmatig bloot staat aan de zware regenval die tropische cyclonen met zich meebrengen. Om precies te zijn: Japan, Taiwan en de Filippijnen.

Deze conclusie trekt een internationale groep geologen uit een vergelijking van het kronkelgedrag van rivieren met de zware regenval die de laatste decennia optrad binnen het afvoergebied van de rivier. Zij publiceren deze week in Science (19 maart). Eerste auteur Colin P. Stark is verbonden aan Columbia University in New York.

De geologen onderzochten ook de rivieren van Borneo en Nieuw Guinea. Ze gebruikten de gedigitaliseerde topografische waarnemingen van de Shuttle Radar Topography Mission, een compilatie van radarmetingen die vanaf een satelliet zijn gedaan. Het landschap kan daarbij in drie dimensies worden weergegeven met een resolutie van 90 meter. Als maat voor het meanderen (kronkelen) van de rivieren gebruikte men het quotiënt van de feitelijke lengte van de rivierloop tussen twee punten A en B, en de afstand hemelsbreed tussen A en B. Deze zogenoemde ‘sinuositeit’ is al sinds de jaren vijftig in gebruik om rivieren te karakteriseren. Bij een sinuositeit van 1,1 of minder geldt een rivier als ‘recht’, tussen 1,1 en 1,5 heet hij ‘kronkelend’ en boven de 1,5 ‘meanderend’.

Natuurlijk is ook het gesteente waarover de rivieren lopen en waarin zij zich in de loop van de millennia langzaam ingraven van invloed op de mogelijkheid van meanderen. In zacht gesteente (zoals zandsteen) meandert een rivier uitbundiger dan over slijtvaste basalt en ander vulkanisch gesteente. Maar binnen bepaalde gesteenteklassen vielen toch intrigerende verschillen in sinuositeit waar te nemen. En deze konden statistisch overtuigend worden gekoppeld aan het voorkomen van meer of minder zware regenval en aan de frequentie waarmee het gebied werd getroffen door tropische cyclonen. Omdat tropische cyclonen in het algemeen niet vlak bij de evenaar voorkomen is de invloed van zware regenval op het meanderen van rivieren in Borneo en Nieuw Guinea minder duidelijk.

De onderzoekers stellen zich voor dat incidentele zware regenval niet alleen de stroomsterkte in de rivieren verhoogt, maar ook de rivieroevers verzwakt.

Een zwakte in de hypothese is dat de regenval van de laatste decennia niet maatgevend hoeft te zijn voor het regenklimaat van de laatste millennia. Maar de onderzoekers geloven dat ritme en routes van tropische cyclonen over duizenden jaren constant zijn geweest.

Karel Knip