Primavera

Van veel renners hoor je dat de nacht na Milaan-Sanremo de moeilijkste nacht van het hele seizoen is.

Total loss liggen ze te woelen op een waterbed van spoken. Tijdens de wedstrijd werden ze ook al zo geplaagd door rare verschijningen. Om het met de woorden van Tom Boonen te zeggen: „Je moet de hele dag met alles rekening houden: wind, auto’s, loslopend wild, vuilnisbakken. Links, rechts, overal.”

La Primavera: spookkoers voor fantomen.

Toch benoemt Boonen de lenteklassieker als de Formule 1 in het wielrennen. „Er komt zo veel informatie op je af die je moet verwerken, dat het niet meer menselijk is.” Anders gezegd: alles davert en kantelt; landschappen, wegen, vrouwtjes. En dus hebben Hollandse stoempers er weinig te zoeken, zoals de historie leert. Ja, Jan Raas ooit, maar hij was een geleerde.

Johan van der Velde was jarenlang dé Italiaan van de polder. Spektakelrenner in de Giro. Erik Breukink had ook wel iets met Italië, maar de meerderheid van het Nederlandse peloton was en is niet gecharmeerd van het land waar wielrenners als glossy worden geboren. Het leven is er hun te snel, te vluchtig, te zenuwachtig. En ook nog die Italiaanse renners die met haarkammetje en zilveren schoentjes aan de start komen, poeh, poeh.

Waar is het platteland van Robert Gesink, godverdomme?

Lars Boom zou ooit een man voor Milaan-Sanremo kunnen worden. Hij kan zich inleven in uitheemse flair, in nonchalance en bijgeloof. Terecht werd de ex-veldrijder geprezen voor zijn mooie prestatie in Parijs-Nice.

Hem in het gele tricot op het podium zien staan, was een strelinkje voor het oog. Macht en verstand gevat in een atletisch lijf dat, gelukkig, nog niet gegeseld is door de heersende wielermode van vermagerzucht. Lijf met poten en een mooie kop.

Nee, hij zal deze Primavera niet winnen. Driehonderd kilometer fietsen is van een andere orde dan een rit in Parijs-Nice. En er is het fatum: de winnaar van Milaan-Sanremo komt uit de Tirreno-Adriatico, niet uit een Franse etappewedstrijd. Je hoort voor deze klassieker eerst een weekje op zijn Italiaans te leven. Wie aan de vooravond vanuit Schiphol wordt ingevlogen, kan het schudden. Want het gaat niet alleen om domweg trappen, het gaat ook om een andere gevoelstemperatuur, een andere koorts, het Latijnse imbroglio, de zingzang van mooie chaos. Lars Boom is er poreus genoeg voor, maar nu nog even niet.

En dus rekenen de Rabo’s toch weer op Oscar Freire. Als enigma kent hij zijn gelijke niet in het peloton. Freire weet zelf niet hoe goed hij is. Zijn hele leven is een eindeloze slaapwandeling, onderbroken door flitsen van goddelijke klasse. En je ziet het bij hem nooit aankomen. Griep, tendinitis, syfilis, het maakt Oscarito allemaal niet uit: ineens staat hij daar in de glorie van een winnaar.

Het genetische wonder Oscar Freire.

Aan de vooravond van een klassieker krijg je altijd het inferno van wielerfilosofen. Zeg maar: van mannen die benen kunnen lezen. Eeuwenoude liturgie, maar niemand schiet er iets mee op. De benen zelf zijn ook nog onthaard. Maar goed, naar aloude gewoonte, en in de regie van de Gazzetta weten we, al dagen op voorhand, dat deze klassieker tussen Boonen, Petacchi en Pozzato zal gaan. Met Philippe Gilbert als outsider.

Ach, wielerfilosofen: het ras der nuttelozen. Doorgaans lieve mannen met zwarte nagelranden, maar je kan ze beter niet op hun woord geloven. Van masseerolie maken zij genade van hopscheuten en asperges. En altijd eten ze graag mee.

Er is geen sportwereld waar de afstand tussen sporter en verslaggever zo klein is als in het wielrennen. Tot in de onnozelste vrouwenkwesties toe weten ze alles van elkaar. Geen seconde zal ik van de Primavera missen. Niet het ordeloze geweld op Le Manie, niet de stormloop à bloc naar de Turchino, al helemaal niet de uitputtingsslag op de Cipressa en de Poggio.

Ook zo mooi: een wedstrijd van driehonderd kilometer kan beslist worden in een halve seconde. Eén scheve trek aan het zadel op de Poggio en daar gaat je winst. En daar gaan ook de prachtige bloemenmeisjes op het podium in Sanremo. Niet twee, drie kussen. Coiffures sterven in hun split. Maar wat zijn ze mooi. Eigenlijk kan je als Hollander niet op een podium in Sanremo staan. Lars Boom, wie weet.

Zou hij al een woordje Italiaans spreken? In het veldrijden kan hij het niet geleerd hebben. Daar heerst de taal van boomstammen. Maar misschien is hij wel bevriend met Thomas Dekker. Voor mij nog steeds de grote afwezige in een Primavera.