Ook Nederland en Duitsland zijn een bedreiging voor de monetaire unie

Nederland en Duitsland moeten hun binnenlandse bestedingen vergroten. Dat biedt landen die achterop zijn geraakt, meer mogelijkheden voor de export.

Oud-minister van Sociale Zaken in het derde kabinet-Lubbers (1989-1994) en fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer van 1982-1989.

Brussel, de euro en de gouden standaard. De laatste werd in de jaren dertig van de vorige eeuw door premier Hendrik Colijn heilig verklaard, nu lijken ‘Brussel’ en de euro zich met dit twijfelachtige aureool te willen tooien. Twijfelachtig, omdat de economische politiek van Colijn desastreus uitpakte: hij probeerde de economische crisis te boven te komen door de begroting sluitend te houden en hij weigerde de gulden los te koppelen van het goud (waardoor deze duur bleef).

De kans op herhaling van dit economische horrorscenario is niet denkbeeldig. Volgens het stabiliteits- en groeipact van de Europese Monetaire Unie mag het begrotingstekort tijdens een recessie oplopen tot maximaal 3 procent en moet op middellange termijn evenwicht worden gerealiseerd. Voor de staatsschuld hanteert Brussel een plafond van 60 procent van het bruto nationaal product (bnp). De vergrijzingsproblemen van de meeste landen waarvoor deze normen gelden zijn groter dan die van Nederland. Desondanks adviseert het CPB om te streven naar een overschot van 1,75 procent.

In de aanloop naar de Kamerverkiezingen van 9 juni vinden sommige politieke partijen bovendien dat de vereiste ombuigingen moeten worden gerealiseerd zonder de belastingen en premies te verhogen. Dat standpunt stoelt op een moreel oordeel. De kern daarvan is de overtuiging dat de kwaliteit van de samenleving verbetert als de overheid een kleiner beslag op de economie legt. Om die reden wordt minder waarde gehecht aan het op peil houden van de kwaliteit van de gezondheidszorg, het onderwijs, de veiligheid, de infrastructuur en het in stand houden van de sociale cohesie, dan aan het op peil houden van het vrij besteedbare inkomen van de burgers.

Het is echter zeer de vraag of het vasthouden aan en zelfs willen overtreffen van de Brusselse normen voor de komende kabinetsperiode getuigt van wijsheid. Wat zich nu dreigt te wreken is dat deze normen veeleer een politieke dan economische achtergrond hebben.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat België en Griekenland beide een staatsschuld hebben van circa 100 procent van het bnp. Echter, het Belgische lidmaatschap van de EMU staat niet onder druk, het Griekse lidmaatschap daarentegen wel.

Traditioneel hanteren economen dan ook andere criteria voor de stabiliteit van een monetaire unie. Centraal staat de gedachte dat volledige werkgelegenheid gecombineerd moet kunnen worden met evenwicht op de lopende rekening van de betalingsbalans (saldo van import en export) en een inflatietempo dat in de pas loopt met de overige lidstaten. Heldere criteria op deze terreinen zouden alsnog opgenomen moeten worden in het Stabiliteits-en Groeipact. De normen voor het begrotingstekort en de staatsschuld kunnen dan worden gerelativeerd.

Precies deze criteria maken duidelijk hoe hopeloos de huidige positie van Griekenland is. Meer dan een kwart van de jongeren zit zonder werk, het tekort op de betalingsbalans bedraagt meer dan 10 procent van het bnp en de loonkosten stegen er de afgelopen tien jaar ruim 30 procent sterker dan in België, dat nog steeds een bescheiden betalingsbalansoverschot heeft. Voor het oplossen van zulke fundamentele problemen is het onvoldoende om fors te hakken in de overheidsuitgaven en/of de belastingdruk flink te verhogen. De echte opgave voor Griekenland en daarmee vergelijkbare landen is om maatregelen te treffen waardoor hun concurrentiepositie sterker wordt en hun export meer kan groeien. Dat vergt niet alleen een neerwaartse aanpassing van de lonen, maar ook maatregelen die de economische structuur versterken. Als tegelijk moet worden vastgehouden aan de Brusselse normen vergt dat hetzelfde soort aanpassingspolitiek als in de jaren dertig in ons land door Colijn werd gevoerd. Zelfs als de Grieken dit blijven willen, is het de vraag of dit hun door de financiële markten zal worden gegund.

Ook lidstaten met grote structurele overschotten op hun betalingsbalans, zoals Duitsland en Nederland, vormen een bedreiging voor de stabiliteit van een monetaire unie. Over 2008 hadden beide landen samen een overschot van circa 250 miljard dollar (185 miljard euro). Dat is ongeveer tweederde van het overschot dat China in hetzelfde jaar had. Evenals China zouden Duitsland en Nederland moeten worden aangespoord om hun binnenlandse bestedingen naar een hoger niveau te tillen, waardoor hun invoer stijgt en het betalingsbalansoverschot afneemt. Op die manier dragen zij ook bij aan het vergroten van de exportmogelijkheden van de landen die achterop zijn geraakt.

Als we aan de VS dezelfde eis stellen als aan de lidstaten van de EMU moet het Amerikaanse begrotingstekort van circa 11 procent jaarlijks minimaal met 2 procent van het bnp omlaag. In het geval van de VS is dat economisch wel een zinnige eis, omdat de neerwaartse druk op de binnenlandse bestedingen die daarvan uitgaat een forse bijdrage levert aan het wegwerken van het tekort op de betalingsbalans.

De ijzeren consequentie ervan is echter dat de VS op z’n best een periode van economische stagnatie en nóg verder stijgende werkloosheid tegemoet gaan. Het land dat jarenlang functioneerde als motor van de wereldeconomie door structureel boven zijn stand te leven, moet dan de versnelling in de achteruit zetten. Dat zal Obama zijn toch al kwetsbare aanhang niet willen aandoen.

Als wij daar diep in ons hart niet rouwig om zijn, rijst eens te meer de vraag naar de wijsheid van het willen overtreffen van de Brusselse normen. Geven Duitsland en Nederland werkelijk het goede voorbeeld als ze hun relatief bescheiden begrotingstekorten binnen enkele jaren drastisch omlaag weten te brengen? Naar mijn mening niet. Voor het wegwerken van mondiale onevenwichtigheden verdient reductie van hun betalingsbalansoverschot ten minste een even hoge prioriteit.

Betekent zo’n pleidooi niet het accepteren van een onverantwoorde stijging van de staatsschuld waardoor wij het nageslacht opzadelen met torenhoge schulden? Die overtuiging is er de afgelopen decennia hard ingeramd. Toch zijn daar best kanttekeningen bij te maken. Ten eerste impliceert vasthouden aan een beleid van grote betalingsbalansoverschotten dat we de kosten van vergrijzing betaalbaar proberen te maken door veel vermogen in het buitenland op te bouwen. Vanuit internationaal gezichtspunt is dat een egoïstische optie omdat vrijwel alle ontwikkelde landen met het probleem van vergrijzing worstelen. Landen die erin slagen om duurzaam een overschot op hun betalingsbalans te realiseren, maken de problemen van de tekortlanden alleen maar groter.

Ten tweede worden rente en aflossing die over dertig jaar verschuldigd zijn, betaald aan de burgers die dan leven. Feitelijk verplicht een grotere toekomstige staatsschuld daardoor alleen tot grotere toekomstige herverdelingsoperaties. De effecten ervan zijn vergelijkbaar met die van de hypotheekrenteaftrek in het huidige fiscale stelsel. Ook dat resulteert in een enorme fiscale herverdelingsoperatie, waardoor hoge tarieven nodig zijn om de torenhoge lasten van de hypotheekrenteaftrek te kunnen financieren. Vreemd genoeg zijn echter de politieke partijen die het meest gekant zijn tegen een hogere staatsschuld ook de meest fervente voorstanders van handhaving van de hypotheekrenteaftrek.

Het is bepaald niet ondenkbaar dat te lang vasthouden aan de Brusselse normen dezelfde effecten heeft als het te lang vasthouden aan de gouden standaard in de jaren dertig. Dus rijst de vraag wat erger is: generaties die over enkele decennia leven opzadelen met grotere verplichte herverdelingsoperaties, of de generatie die nu leeft opzadelen met meer werkloosheid en minder economische groei, zonder de garantie dat dat in de toekomst weer ingehaald wordt.

Voor alle duidelijkheid: begrotingstekorten zijn geen houdbaar alternatief voor het probleem dat in de private sector de besparingen structureel steeds meer de investeringsuitgaven overtreffen. Die hoge spaarquote berust echter voor een deel op arrangementen waarop de overheid invloed kan uitoefenen. De op kapitaaldekking gebaseerde tweede pijler van ons pensioenstelsel is daar het belangrijkste voorbeeld van. Met dat systeem zijn we uniek in de wereld, maar het zorgt voor relatief lage consumptieve bestedingen in verhouding tot het verdiende inkomen. Niet alleen de pensioenpremies, ook de rente en dividenden op het enorme vermogen van de pensioenfondsen blijven daardoor lange tijd buiten de consumptieve sfeer. Door de vergrijzing wordt het positieve saldo tussen de pensioenbesparingen en de pensioenuitkeringen geleidelijk wel kleiner. Desondanks lijkt een verschuiving naar de op omslag gebaseerde eerste pijler het overwegen waard.

Ook het effect van de hypotheekrenteaftrek op de huizenprijzen verdient in dit verband aandacht. Worden daardoor de huizenprijzen niet onnodig opgejaagd waardoor extra besparingen nodig zijn om aan de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen?

Substitutie van buitenlandse door binnenlandse afzet draagt niet alleen bij tot herstel van betalingsbalansevenwicht maar ook tot vermindering van het begrotingstekort. In tegenstelling tot goederen en diensten die worden geëxporteerd dient over goederen en diensten die binnenlands worden afgezet immers wél btw te worden afgedragen.

Het zijn slechts enkele voorbeelden waarmee ik probeer duidelijk te maken dat het op wat langere termijn mogelijk moet zijn om extern evenwicht weer te combineren met een begrotingstekort dat niet resulteert in een permanente stijging van de staatsschuldquote.

Als ons land zijn begrotingstekort in de komende regeerperiode wil terugbrengen met de helft van het op lange termijn volgens het CPB berekende gat van 29 miljard euro, dan vergt dat – rekeninghoudend met zogenoemde uitverdieneffecten – een pakket maatregelen van ten minste 20 miljard euro. Dat komt neer op een negatieve jaarlijkse bestedingsimpuls van 0,8 procent procent van het bnp. Als het ons tevens lukt om andere lidstaten van de EMU – met vaak veel grotere tekorten – te dwingen hun beleid ook minimaal af te stemmen op de Brusselse normen, dan wordt een gecoördineerde negatieve spiraal in gang gezet die op middellange termijn geen enkel perspectief biedt op een terugkeer naar een normaal tempo van economische groei. Als alleen enkele Noord-Europese landen die ‘discipline’ weten op te brengen worden de spanningen binnen het EMU-gebied alleen maar groter en is de muntunie tot ontbinding gedoemd.

De grote tijdsdruk waaronder alle partijen deze weken werken aan hun nieuwe verkiezingsprogramma, laat weinig ruimte voor het overwegen van zulke nieuwe gezichtspunten. Het gevaar is daardoor levensgroot aanwezig dat het streng vasthouden aan budgettaire normen die niet op de huidige economische omstandigheden zijn toegesneden, in de campagne en tijdens de kabinetsformatie blijven functioneren als lakmoesproef voor gezond financieel beleid. Voor de toekomst van ons land valt daarvan weinig goeds te verwachten. Nederland en Europa zijn niet gebaat bij een kabinet Colijn-VI.