Oernatuur van Staatsbosbeheer heeft hier nooit bestaan

De winterse uithongering van grote grazers op de Veluwezoom en de Oostvaardersplassen wordt verdedigd op grond van ecologische argumenten. Volkomen ten onrechte.

Emeritus hoogleraar prehistorie aan de Universiteit Leiden. Hij woont op de Veluwezoom

Iedere strenge winter laait de commotie op over de wijze waarop natuurorganisaties omgaan met de grote grazers. Het gaat dan vooral over de Oostvaardersplassen, beheerd door Staatsbosbeheer, en het Nationale Park De Veluwezoom van Natuurmonumenten, twee gebieden waar het beleid gericht is op een ‘nagenoeg natuurlijk landschap’. Ook deze winter waren er weer veel protesten tegen het uithongeren van konikpaarden, edelherten en Heckrunderen, niet alleen van het publiek maar ook in de Tweede Kamer.

Frans Vera, de bedenker van de Oostvaardersplassen, stelt in een reactie namens Staatsbosbeheer dat dit nu eenmaal bij de natuur hoort en dat die protesten laten zien hoever wij van de natuur af zijn komen te staan. Maar ik ken weinig mensen die zich niet storen aan de kommervolle wijze waarop beheerders vele dieren in deze gebieden ’s winters aan hun eind laten komen, omdat het beleid nu eenmaal hands off is.

Hier staan twee dierbenaderingen tegenover elkaar. De één is ecologisch, gericht op het dier als soort: wat met het dier gebeurt, is ‘natuur’ en dat hebben we maar te accepteren. De andere is een bio-ethische, gericht op het individuele dier en de verantwoordelijkheid van de mens daarvoor. Dat houdt in dat de zelfstandigheid van het wilde dier dient te worden gerespecteerd, maar dat wij een zorgplicht hebben als dieren door ons toedoen in nood komen. Het ministerie van Landbouw en Natuur, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten hebben gedetailleerde richtlijnen opgesteld om het gekozen beleid na te leven.

Maar kloppen de uitgangspunten van het beleid wel? Is het overleveren van de dieren aan de elementen en het onthouden van zorg ecologisch te verdedigen?

Het uitzetten van grote grazers vloeit voort uit de vooronderstelling dat deze vroeger een belangrijke factor vormden in het natuurlijke ecosysteem. Als wij het oorspronkelijke natuurlijk landschap weer terug willen hebben, was de gedachte, moesten daar dus ook die grazers in. De prehistorie dus als referentiekader voor natuurontwikkeling bij het streven om de ‘oernatuur’ terug te krijgen. Maar wat zijn daarbij de problemen?

Ten eerste moet duidelijk zijn welk verleden wij bedoelen. Dat is in elk geval het landschap van ná de laatste ijstijd en dan niet de eerste fasen van begroeiing met open berkenbossen en de daaropvolgende dennenbossen (het Preboreaal en Boreaal), maar die van de Atlantische loofbossen, ná 7000 v.Chr. Er kan ook een bovengrens worden gegeven, namelijk de periode waarin boeren de bossen ontginnen en met hun akkers en vee de natuur verdringen. Daarvoor kunnen we 3500 v. Chr. nemen, het begin van de Trechterbekercultuur, bekend als de bouwers van de Drentse hunebedden.

Dit landschap kennen we vrij goed door stuifmeel- of pollendiagrammen. Traditioneel werd het bos van de hoge gronden daarmee gereconstrueerd als een min of meer gesloten oerwoud met vooral eik, linde en iep. De landschappelijke diversiteit bestond vooral uit het grote verschil met de moerasbossen in de brede, natte beekdalen, het mozaïek aan wetlands in ‘het lage westen’ en de grote hoogvenen.

Vera postuleerde daartegenover in 1997 in zijn proefschrift dat er geen sprake was van een gesloten bos, maar van een gevarieerd parklandschap, dat vooral in stand werd gehouden door de activiteiten van grote grazers. Nu is de gedetailleerde interpretatie van een pollendiagram geen eenvoudige zaak, maar Vera’s alternatief werd toch al spoedig weerlegd. Dat herhaalde zich internationaal na het verschijnen van een Engelse vertaling. Maar inmiddels was zijn theorie al wijd verbreid en in de praktijk gebracht. Er werden alom koeien en paarden ingezet als goedkope maaimachines bij het beheer van natuurterreinen. Dat gaat vaak goed, maar soms dus niet.

Ook het onderzoek van dierenbotten uit archeologische opgravingen geeft geen steun aan het idee van de belangrijke rol van paard en oerrund in het landschap. Paarden waren hier al kort na de laatste ijstijd praktisch verdwenen. Alleen op de vindplaats Hüde I aan de Dümmer bij Osnabrück komen paardenbotten in flinke aantallen voor, maar dat is Europees gezien een uitzondering. In het omvangrijke faunamateriaal van de meso- en neolithische woonplaatsen in Nederland zijn slechts incidenteel paardenbotten gevonden.

Het oerrund en de eland waren in de tijd van de berken- en dennenbossen van groot belang. Uit Nederland zelf hebben we nog geen gegevens, maar vindplaatsen in Denmarken, Star Carr in Yorkshire en Bedburg in het Duitse Rijnland tonen dat aan. In de tijd daarna domineren evenwel edelhert en wild zwijn en zijn oerrund en eland slechts met kleine aantallen vertegenwoordigd. Interessant is de constatering dat in het winterkamp van Hardinxveld, omstreeks 5500 v.Chr., wél werktuigen uit botten van het oerrund werden gebruikt, maar dat de beesten niet ter plaatse waren geschoten. Kennelijk kwam oerrunderen niet in de wetlands voor, maar werden die ’s zomers op de zandgronden bejaagd. Dat laten ook even oude vondsten in een beekdal bij Jardinga (Friesland) zien. De wisent, die nu ook wordt ‘geherïntroduceerd’, is tot op heden in het prehistorische materiaal niet aangetoond.

In de latere prehistorie neemt alle jacht snel in belang af. Incidenteel komt het oerrund nog voor tot in de Romeinse tijd en de eland tot in de Middeleeuwen. Al met al zijn aan de prehistorie dus geen argumenten te ontlenen voor de ‘herintroductie’ van paard en rund op enige schaal. Dat dit af en toe misgaat, heeft niet te maken met de wreedheid van de natuur, maar berust op onze inschattingsfouten: het zijn geen ‘natuurlijke ecosystemen’.

Met de paarden blijkt het nog wonderwel goed te gaan, maar de edelherten in de wetlands van de Oostvaardersplassen redden het duidelijk niet en hetzelfde geldt voor de Hooglanders in de Veluwezoom. De herten zitten gevangen in een overbevolkt nat gebied, waaruit geen ontsnappen mogelijk is en Schotse Hooglanders zijn nu eenmaal geen oerrunderen. Het zijn en blijven van de mens afhankelijke huisdieren, die niet meer zo maar even verwilderen en niet zijn opgewassen tegen de schrale winterse condities van de Veluwezoom. Zonder voer en beschutting redden ze het niet. Het is een verkeerde combinatie van landschap en dier. Het oerrund zou nooit voor de Imbosch hebben gekozen.

In Schotland werden de Hooglanders in historische tijd ’s winters van de hooglanden naar de dalen gehaald, waar stallen beschutting boden. In de herfst vond de slacht plaats. Omdat de boeren alle tijd en energie nodig hadden gehad voor hun eigen voedselvoorziening, was er weinig of geen wintervoer en moesten de beesten grotendeels voor zichzelf zorgen, maar ze haalden, hoewel verzwakt, wel het voorjaar.

Hoe ‘natuurlijk’ zijn de populatiedichtheden in de Oostvaardersplassen? Het is nogal tricky om uitspraken te doen over populatiedichtheden in de prehistorische tijd, maar ik waag het er toch op. Een educated guess voor de bevolking in het Mesolithicum bedraagt circa 2.000 mensen in geheel Nederland. Aannemende dat die een belangrijke predatorrol vervulden (er waren ook wolven!), kun je denken aan een populatie van 10 à 20.000 grote herkauwers op zo’n 20.000 km2. Dat is een factor vijf lager dan nu in de Veluwezoom en de Hoge Veluwe, terwijl toen alle optimale landschapzones nog vrij waren en niet door mensen in beslag genomen.

Mensen in de natuur – het is haast vloeken in de kerk van het natuurbeheer. In de ‘echte natuur’ van onze tijd is namelijk elke invloed van mensen taboe, maar er leven al meer dan 500.000 jaar mensen in Europa. Zonder die mensen geen ‘oernatuur’, geen stabiel ecosysteem en geen prehistorie als referentiekader, tenminste wat het grote wild betreft.

Wat wij weten van de natuur in het verleden legitimeert niet de schepping van ecosystemen met zelfstandig levende paarden en runderen. Dat is allemaal niet erg zolang die systemen goed functioneren en de bezoekers er genoegen aan beleven. Maar dat is duidelijk niet het geval. In plaats van genoegen is er nu maatschappij-brede verontwaardiging. Omdat de natuurorganisaties hun beleid niet weten te legitimeren, brengen zij zichzelf in diskrediet.