Laptoppen in een onthaastingshutje

Tienduizenden Nederlanders hebben een huis(je) in Frankrijk. Wat bezielt hen? ‘Ik gebruik de autoreis als een moment van reflectie.’

‘Ik hoef mijn ogen maar dicht te doen, of ik zie de rookpluim uit de schoorsteen omhoog kringelen”, schrijft Martin Bril in Plat du Jour. Berichten uit Frankrijk (2007). Mensen zonder tweede huis begrijpen het vaak niet. Hoe vaak ben je er nu helemaal, denken zij, en wat kost het wel niet, voor dat geld kun je toch beter dit of dat? Maar de eigenaar van een maison de campagne heeft die plek altijd bij zich, in zijn hoofd, op zijn netvlies – ook als hij er niet is.

Op 21 maart opent in Kasteel Groeneveld in Baarn de tentoonstelling Huis in Frankrijk. In het gelijknamige boek dat deze week verschijnt staan foto’s en verhalen van Nederlanders met een tweede huis. Naar schatting – precieze getallen ontbreken – zijn zeker 20.000 en mogelijk veel meer huizen in Frankrijk in bezit van Nederlanders. Wat zoeken zij daar?

Zijn de kopers van een ‘onthaastingshutje’ in Frankrijk, of waar dan ook, op zoek naar iets wat ze in Nederland niet (meer) kunnen vinden? Uiteraard, anders waren ze wel in Nederland gebleven. Dat Frankrijk rust en ruimte bieden die je zelfs in de meest landelijke delen van Nederland niet vindt, is eenvoudig vast te stellen. Volgens het Europees bureau voor de statistiek Eurostat telde Frankrijk in 2006 ruim 100 mensen per vierkante kilometer, in Nederland is dat met 484 bijna vijf keer zoveel.

Rust, ruimte, natuur, authenticiteit. Het buiten zijn, het lekkere eten en het prettige klimaat. Frankrijk staat symbool voor het goede leven, en het huis in Frankrijk is een droom. Voor generaties Nederlanders is Frankrijk het vakantieland van hun kindertijd. Al blijft het een beetje vreemd om te horen dat jij en je landgenoten worden aangeduid als les Bataves.

Misschien zijn de tweedehuisbezitters, zoals journalist Gerhard Hormann schrijft in zijn boek Een tweede huis. Op zoek naar vrijheid, rust en ruimte, „onbewust op zoek naar het Nederland zoals ze zich dat uit hun jeugd herinneren: veilig, overzichtelijk, ruim, gemoedelijk en schoon”. Maar de keuze vóór Frankrijk is niet per se een keuze tégen Nederland. „Er is niet zozeer sprake van een vlucht, maar meer van een vervolmaking. We forenzen niet alleen op en neer van huis naar werk, maar ook van het ene levensgevoel naar het andere.”

Er kleeft een fundamentele ambivalentie aan het tweede huis. Natuurlijk is het een luxe. Tegelijkertijd is het back to basics: het Franse buitenhuis is vaak sober en eenvoudig, het is de plek waar – anders dan thuis – het leven simpel en overzichtelijk is.

Er is nog een intrigerend aspect van het Frankrijkgevoel: de grandeur. In eigen land moeten we er niets van hebben, maar zou het kunnen dat de gloire van Frankrijk, en de trots waarmee die wordt uitgedragen, een zeker ontzag oproept? Ergens bewonderen we die joie de vivre, die zelfverzekerde overtuiging van het belang en de waarde van de eigen cultuur, inclusief de taal en de cuisine.

Résidences secondaires

In Frankrijk zijn naar schatting drie miljoen résidences secondaires, een vertienvoudiging sinds de Tweede Wereldoorlog. De prijzen hebben die stijgende populariteit bijgehouden: tussen 1997 en 2007 zijn ze met 178 procent omhooggegaan. Ruim 90 procent ervan is Frans bezit. Hoeveel Franse huizen zijn in het bezit van Nederlanders? Niemand die het weet. Schattingen lopen uiteen van ruim 10.000 tot 200.000, 250.000. De Nederlandse geograaf Guy van Oort, tot vorig jaar verbonden aan de Universiteit Utrecht en bekend met de Franse woningmarkt, houdt het op 20.000 in 2005. De meeste tweede-huisbezitters zijn tussen de veertig en de zestig jaar oud en hebben een bovenmodaal inkomen; ongeveer de helft is gepensioneerd.

Nederlanders zijn niet de enigen die zo’n huisje willen: tussen 1997 en 2005 is volgens Van Oort het aantal tweede huizen in Frankrijk in buitenlands eigendom met 50 procent toegenomen. De Britten zijn de grootste groep, met naar schatting 70.000 tweede woningen. Enkele gemeenten in de Dordogne – dat al de bijnaam ‘Dordogneshire’ kreeg – kondigden eind jaren negentig zelfs een stop af op de verkoop aan Britten.

Rondom het ‘maison de campagne’ is een hele infrastructuur ontstaan van makelaars, aannemers, oppassers, verhuurbureaus, adviesbureaus, websites en tijdschriften met sfeervolle titels als Leven in Frankrijk, Seasons Frankrijk, Maison en France en En Route. Mireille t’Sas Javelas, van oorsprong Nederlandse, is makelaar in het plaatsje Largentière in de Ardèche. „In de jaren zeventig was het hier nog heel goedkoop”, vertelt ze, „maar de Ardechois hebben allang in de gaten wat het huisje van oma waard is.”

Ruïnes vind je er niet meer, zegt ze, alles is al opgekocht en verbouwd en weer verkocht. „Sommige huizen verkopen wij inmiddels voor de derde keer.” Haar klanten zoeken ook geen ruïne meer. „Ze zijn meestal boven de vijftig en hebben wat geld. Ze willen iets wat voor 80 procent klaar is. Ze willen nog wel iets veranderen of toevoegen, een badkamer of een zwembad, maar ze willen niet meer op vakantie met de betonmolen.”

Soms draait de Franse droom uit op een teleurstelling. „Mensen gaan af op hun beelden van het platteland van veertig, vijftig, zestig jaar geleden – en ontdekken dat die droom nooit heeft bestaan”, zegt Paul Kuypers, oud-directeur van het debatcentrum De Balie in Amsterdam en oud-eigenaar van een huis in Frankrijk. „Voor veel mensen loopt het uit op een herhaling van het leven dat ze al hebben, en niet ‘het andere’ waarop ze hadden gehoopt. Je psychologische bagage neem je toch mee. En ze vertillen zich aan de verbouwing.”

Een tweede huis is niet altijd en alleen maar leuk. Dakpannen waaien af, relmuizen nestelen op zolder, leidingen vriezen kapot, de verbouwing komt maar niet af – of erger. Janet de Graaf uit Rotterdam houdt elke keer de adem in als ze naar de oude watermolen rijdt die zij dertien jaar geleden in midden-Frankrijk kocht. Er wordt herhaaldelijk ingebroken; het record staat op vijf keer in één jaar. „Elke keer denk ik: nee toch, niet wéér. Vooral die ene keer dat ik er hartje winter met mijn dochter aankwam en ontdekte dat ze de grote houtkachel hadden gestolen en ook de zonnepanelen.” Nu brengt ze het gereedschap en dergelijke naar de buren als ze weggaat, en de zonnepanelen neemt ze elke keer in de auto mee. „Het is óf dat, óf verkopen, en dat wil ik niet.”

Eau de vie

De hausse aan résidences secondaires in Frankrijk zou ondenkbaar zijn zonder een aantal economische en maatschappelijke ontwikkelingen die het leven van de Europeanen ingrijpend hebben veranderd. Meer welvaart, meer infrastructuur, meer mobiliteit, meer toerisme – maar ook meer stedelijkheid en minder landbouw, met als gevolg de leegloop van het Franse platteland – l’exode rural. Woonden er in 1936 nog ruim 22 miljoen mensen in de steden en bijna 20 miljoen op het land, zestig jaar later was het aantal stedelingen verdubbeld en het aantal plattelandsbewoners tot 14 miljoen gedaald.

In Nederland nam de welvaart sinds de jaren zestig snel toe. Tussen 1977 en 2008 is het besteedbaar inkomen volgens het CBS met 30 procent toegenomen. Mensen met een eigen woning stonden er nóg beter voor. Hun huis werd steeds meer waard, en die overwaarde besteedden ze vaak aan leuke dingen: een boot, een wereldreis, een tweede huis. Dankzij de hypotheekrenteaftrek betaalde de fiscus daar aan mee. Zo kon in Frankrijk de overtuiging postvatten dat de Nederlandse overheid haar burgers subsidie gaf om in het buitenland een tweede huis te kopen. Behalve dat je geld en tijd nodig hebt om een tweede huis te kunnen kopen en er te kunnen zijn, moet je er ook kunnen komen. Het is haast vanzelfsprekend dat we een auto hebben, en het bezit van een tweede auto wordt ook steeds gewoner: één op de vijf huishoudens heeft er twee. De autorit naar het Franse huisje wordt onderdeel van de vrijetijdservaring. Kunstenaar Inge Behling, die veel heen en weer reist naar het noordelijke dorp Jeantes: „Ik gebruik die tijd in de auto als een moment van reflectie.” Wiebe van der Woude en Ad Serné zetten de auto op de heenweg vol plantjes en op de terugweg vol haardhout, wijn en de eau de vie van appels die ze bij de lokale destilleerderij laten stoken.

De TGV, de Train à Grande Vitesse die Frankrijk als eerste Europees land in 1981 invoerde, heeft ook veel bijgedragen aan de ontsluiting van het Franse platteland. Het aantal kilometers van de hoge snelheidslijn zal tussen nu en 2020 verdrievoudigen. Bovendien is de hogesnelheidstrein op de kortere afstanden een serieuze concurrent voor het vliegtuig, mede doordat Parijs niet goed is ingebed in het netwerk van de goedkope luchtvaartmaatschappijen. Langs het tracé van de TGV zijn de onroerendgoedprijzen met tientallen procenten omhoog geschoten. Aan de Normandische kust waren de prijzen al flink hoger geworden na de aanleg van de tunnel naar Engeland.

Er is nu ook een trek naar het platteland van hogeropgeleide Fransen. De nouveaux rurbains, worden ze genoemd, een samenvoeging van ruraux en urbains. Ging een Fransman op het platteland vroeger vooral faire le vide, de ledigheid bedrijven, nu wordt er ook gewoon gewoond en gewerkt. In zijn boek Paradis Verts schrijft de Franse antropoloog Jean-Didier Urbain over hen: „Men migreert niet, men splitst zich. De burger van vandaag kiest niet meer tussen stad en land. De polygame bewoner is een bewoner die ervoor kiest niet te kiezen.” Hij is tegelijkertijd un passant qui reste et un habitant qui passe. Het huis op het land is geen eenduidig vakantiehuis meer, de bewoners zijn een mengeling van boeren, toeristen, stadse Fransen, stadse buitenlanders. Cultureel gezien blijft de sterkste tegenstelling die tussen de rurale en de stedelijke werelden. Of die stedeling nu uit Parijs komt of uit Nederland, dat maakt niet zoveel uit.

De Franse sociologen Jean Viard en Bertrand Hervieu beschrijven hoe het buitengebied verandert in een verlengstuk van de stad, „eerder een landschap dan een productieruimte”. Het platteland wordt nu meer op zijn esthetische kwaliteiten beoordeeld dan op zijn nut voor de voedselproductie. In al die leeggekomen boerderijen zitten nu stedelingen van allerlei nationaliteiten te laptoppen.

We hebben nu het beste van twee werelden – stad én land, drukte én rust. De naoorlogse generatie heeft door een samenloop van omstandigheden die ze maar ten dele zelf heeft veroorzaakt – overwaarde op het huis, het bezit van een auto, meer vrije tijd en/of flexibeler werk, een enorm verbeterde fysieke en digitale infrastructuur – kansen gekregen om haar levenssfeer flink uit te breiden. Die kansen grijpen we aan. Het is pure luxe om niet te hoeven kiezen tussen Vinex en Valence, tussen Leidschenveen en Largentière. We kunnen ze allebei krijgen.

Maar blijft het ook zo? Twintigers en dertigers gaan net zo makkelijk naar Curaçao of naar Turkije, naar Argentinië of naar Thailand. Budgetvliegmaatschappijen, laptops en internet hebben de wereld ontgonnen en bereikbaar gemaakt op een manier die een generatie geleden ondenkbaar was.

Sinds 2002 brengen Nederlanders minder vaak hun vakantie in Frankrijk door. De val van het Britse pond brengt 30 procent van de Britse eigenaren in financiële moeilijkheden. In de Ardèche moet makelaar Mireille t’Sas het al een paar jaar vooral van de Belgen hebben; in Zuidoost-Frankrijk zijn de vraagprijzen over de hele linie gedaald. De verkoop aan Nederlanders is volgens geograaf Guy van Oort met de helft ingezakt. Ze kijken nog wel, maar ze kopen niet. De droom ligt even stil.

Dit artikel is gebaseerd op het boek Een huis in Frankrijk: Nederlanders en hun maison de campagne, tekst Tracy Metz, dichtbloemlezing Rudi Wester, fotografie Theo Baart en Sake Elzinga, NAi Uitgevers, €29,50. Tentoonstelling Huis in Frankrijk, un rêve, une réalité, tot 1 dec. in Kasteel Groeneveld, Baarn.