Knellende boorden

Onthullingen over seksueel misbruik van minderjarigen door katholieke priesters versterken de kritiek op het celibaat. Maar het verband is nooit aangetoond.

Maarten Luther zei het al: ‘Door het priesterschap te belasten met de celibaatsverplichting gaf de Kerk aanleiding tot ontelbare, afschuwelijke zonden tegen de kuisheid.’ Luther was een Augustijner monnik en priester. Nadat hij in 1517 zijn stellingen tegen de aflaathandel had opgehangen aan de kerkdeur van Wittenberg werd hij geëxcommuniceerd en trouwde hij met een uitgetreden non. Nu, bijna vijf eeuwen later, volgt de voormalige jezuïet Huub Oosterhuis dezelfde redenering als Luther. ‘De oorzaak van deze schandalen is het verplichte celibaat, en zolang dat niet wordt afgeschaft, zullen ze doorgaan’, zei hij vorige maand in deze krant.

‘Deze schandalen’ slaat op een stroom berichten, eerst in de Verenigde Staten, daarna in Ierland, en nu in Duitsland en Nederland, over seksueel misbruik van minderjarigen in rooms-katholieke (kost)scholen. Opnieuw wordt gesuggereerd dat priesters zich vergrijpen aan kinderen omdat zij hun gelofte van kuisheid niet kunnen nakomen. Maar de populariteit van deze stelling zegt niets over haar wetenschappelijke houdbaarheid. Psychologen, psychiaters en criminologen hebben nog altijd geen oorzakelijk verband gevonden tussen celibaat en seksueel misbruik. Zij neigen eerder naar de conclusie dat door de geslotenheid van en de corpsgeest in de katholieke kerk misbruikplegers veel ruimte hebben gekregen.

Eind januari barstte de discussie los in Duitsland. Toen werd bekend dat zich in het Berlijnse Canisius College, een door jezuïeten geleid gymnasium, in de jaren zestig en zeventig 30 gevallen van seksueel misbruik hadden voorgedaan. Er volgden meer onthullingen. Het weekblad Der Spiegel stelde een onderzoek in en concludeerde in een omslagartikel met de kop Scheinheiligen dat tussen 1995 en 2000 94 gevallen van misbruik van minderjarigen door katholieke priesters zijn gemeld bij de Duitse politie. Daarvan hadden dertig gevallen geleid tot een veroordeling.

MEDIAHYPE

De Berlijnse gerechtspsychiater Hans-Ludwig Kröber ergerde zich aan wat hij een mediahype noemde. Tegenover het katholieke persbureau KNA rekende hij voor dat een niet-celibatair een tientallen malen grotere kans heeft misbruikpleger te worden dan een priester. ‘De Duitse Kerk,’ zei hij, ‘telt 600.000 priesters, broeders en diakenen, samen 1,8 procent van de volwassen mannelijke bevolking. In de door Der Spiegel onderzochte periode zijn in heel Duitsland 210.000 aangiften gedaan van seksueel misbruik van minderjarigen, die leidden tot 2.500 veroordelingen. Het aandeel van geestelijken in de gemelde gevallen van misbruik in die jaren is 0,045 procent, hun aandeel in de veroordelingen 0,08 procent. Nogmaals; 1,8 procent van de Duitse mannen is geestelijke.”

Op internet werd Kröber meteen weggezet als ‘een “expert” die voor de Kerk werkt’. De hoogleraar forensische psychiatrie aan de Freie Universität komt uit een protestantse familie, maar noemt zichzelf in een telefonische reactie atheïst. Zijn enige relatie met de Katholieke Kerk is dat hij als onafhankelijk deskundige psychiatrisch advies heeft uitgebracht over enkele priesters die waren beschuldigd van seksueel misbruik.

Desgevraagd geeft Kröber toe dat zijn rekensom wat kort door de bocht is en geen rekening houdt met de mogelijkheid dat misbruik door priesters minder snel aan het licht komt. “Misschien is dat zo”, zegt hij, “maar het aantal aangeklaagde priesters is verhoudingsgewijs opvallend klein. Ook in de media, en die melden elk geval dat hun ter ore komt. Bij het Canisius moest men meer dan twintig jaar teruggaan om drie gevallen van verdenking te vinden. In de periode 1995-2000 registreerde de politie in Berlijn 9.500 misbruikplegers, en geen enkele van het Canisius College.”

VOETBALTRAINER

Kröber heeft klinische ervaring met plegers van seksueel misbruik. “Je hebt geen politiestatistieken nodig om te weten dat het celibaat niet pedofiel maakt, hoewel een enkele pedofiel celibatair wordt. Van het beroep van voetbaltrainer of kapper word je ook niet pedofiel. Dat is een medisch feit. Het wijdverbreide geloof dat vrijwillige of onvrijwillige partnerloosheid er vroeg of laat toe leidt dat men zijn primaire seksuele oriëntatie verliest, is onzinnig. Je wordt niet pedofiel bij gebrek aan seksuele contacten met volwassenen. Iedereen heeft wel eens langere perioden van onthouding meegemaakt bij gebrek aan een partner. Dan begint een man niet plotseling aan jongens te denken in plaats van aan vrouwen. Jongens zijn en blijven voor een heteroseksuele man oninteressant. Men kan van mening verschillen over het celibaat, maar een oorzaak van pedofilie is het, mede gezien de zeldzaamheid van celibataire daders, niet. En het laatste wat een typisch pedofiel wil, is een leven van onthouding.”

De controverse rond het celibaat – een disciplinaire regel, geen theologisch leerstuk – is al oud. Peter Raedts is hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is net als Huub Oosterhuis een uitgetreden jezuïet. “Het christendom”, zegt hij, “heeft van meet af aan de maagdelijke levenswijze aangeprezen. Dat begon al met Paulus’ eerste brief aan de Korintiërs. De christenen leefden destijds in de overtuiging dat Christus spoedig zou terugkeren. Waarom dan nog trouwen, zei Paulus, richt je met onverdeeld hart op het komend koninkrijk. Maar hij zei ook: wie dat niet kan, moet maar trouwen. Hij erkende dat het niet voor iedereen was weggelegd.”

In de eerste eeuwen van de Kerk waren priesters en bisschoppen oudere, getrouwde mannen. Maar vanaf de vijfde eeuw kregen zij de aanbeveling celibatair te leven. Als een man tot bisschop werd verheven, werd hem verteld dat hij geen seks meer mocht hebben met zijn vrouw. Een instructie die, erkende paus Gregorius de Grote, ‘zwaar valt en ongelegen komt (durum atque incompetens) voor hen die hierop niet zijn voorbereid’.

Raedts: “In de late Oudheid bestond in de hele samenleving wantrouwen tegen seksualiteit. Dat was iets gevaarlijks, een lichamelijke passie waar je eigenlijk van los moest komen. Men keek tegen seksualiteit aan zoals wij nu tegen roken. Het is gevaarlijk voor je gezondheid, dus liever niet, en als je het toch doet, dan zeer matig.”

De celibaatsverplichting voor gewone priesters ontstond pas in de 11de eeuw. Raedts: “Dat ging geleidelijk. Gelovigen liepen weg bij getrouwde priesters die de mis opdroegen; het was een beweging van onderop voor meer ‘zuiverheid’. De antropologe Mary Douglas brengt dit in verband met maatschappelijke chaos. Veel historici menen dat er in de 11de en 12de eeuw een golf van puritanisme door Europa ging. Die eeuwen behoren inderdaad tot de meest chaotische van de Europese geschiedenis. Welvaart en rijkdom namen toe, maar de maatschappij veranderde razendsnel. Eeuwenoude familie- en stamverbanden vielen uit elkaar, steden kwamen op. Dat ontketende een zuiveringsgolf en het priestercelibaat was een manier om daaraan vorm te geven.”

Maar het ging niet vanzelf. De historicus Arnoud-Jan Bijsterveld (Universiteit Tilburg) schrijft in zijn dissertatie dat in de Lage Landen tussen 1400 en 1500 meer dan de helft van de priesters samenleefde met een vrouw. Raedts: “Ik vermoed dat het celibaat zeker bij lagere geestelijken alleen in naam geëerd werd, en dat daar weinig maatschappelijk verzet tegen was.”

De Contrareformatie, die begon met het Concilie van Trente (1545-1563) pakte de priesteropleiding aan, maar ook daarna leefden veel priesters niet-celibatair. Raedts: “Wij denken bij de Katholieke Kerk aan een strakke hiërarchie, maar die dateert van de 19de eeuw. De Kerk was lang heel verbrokkeld en was vaak niet in staat om disciplinaire maatregelen te nemen.”

In het kielzog van de Verlichting en de Franse Revolutie gingen er aan het begin van de 19de eeuw stemmen op onder katholieke geestelijken om het celibaat af te schaffen. Met dezelfde argumenten als die van Luther: dat het onnatuurlijk was, dat een geestelijke dichter bij de mensen stond als hij vrouw en kinderen had.

POOLSE EDELMAN

Raedts: “Die beweging is in de kiem gesmoord. In het destijds grootste Duitse bisdom, Breslau, hadden in 1840 alle pastoors een vrouw. De prins-bisschop was een Poolse edelman die het zelf ook niet zo nauw nam. Die is tot aftreden gedwongen en vervolgens protestant geworden. In zijn plaats werd een ijzervreter benoemd, kardinaal Melchior von Diepenbrock, een Westfaalse edelman, en die heeft de discipline met harde hand hersteld.”

De vraag waarom de Kerk heeft vastgehouden aan het celibaat houdt ook Raedts bezig: “Het argument dat altijd wordt genoemd is een idealistisch motief; een priester moet totaal beschikbaar zijn voor zijn kudde. Maar ik denk, eerlijk gezegd, dat het om macht gaat. Celibatairen doen denken aan de eunuchen van de Ottomaanse en Chinese hoven. Aan het hof van Byzantium was het gebruikelijk dat priesters en bisschoppen zich vrijwillig lieten castreren. Het celibaat waarborgt ongedeelde loyaliteit. Niemand in de Kerk zal het ooit hardop zeggen, maar men vreest door afschaffing de greep op de geestelijkheid te verliezen.”

En de vraag is nu of dit knellende regime leidt tot meer seksueel misbruik van minderjarigen door priesters en kloosterlingen.

De eerste wetenschappelijke publicaties over de aard en omvang van seksueel misbruik van minderjarigen in de Katholieke Kerk verschenen in het laatste decennium van de vorige eeuw. Wie de omvang van het verschijnsel wil vaststellen, is aangewezen op twee soorten gegevens: cijfers van aanklachten en veroordelingen en zelfrapportage uit de klinische praktijk.

De Amerikaanse psychotherapeut A.W. Richard Sipe, een ervaren counseler van priesters en kloosterlingen, schatte in 1990 op basis van zijn klinische ervaring dat 2 procent van de priesters pedofiel gedrag vertonen en nog eens 4 procent seksuele belangstelling aan de dag leggen voor minderjarige meisjes en jongens na de puberteit.

De Amerikaanse psychologen John A. Loftus en Robert Camargo publiceerden in 1993 de resultaten van hun onderzoek onder 1.322 priesters en kloosterbroeders. Van hen rapporteerde 27,8 procent dat ze wel eens seks hadden met een volwassen vrouw, 8,4 procent gaf toe wel eens seksueel getint contact te hebben gehad met een minderjarige (onder de 18).

MISBRUIK

In 1999 verscheen het boek Bless me father, for I have sinned - Perspectives on Sexual Abuse Committed by Roman Catholic Priests. Schrijver was de Amerikaan Thomas Plante, hoogleraar psychologie aan Santa Clara University en universitair hoofddocent psychiatrie aan de Stanford School of Medicine. Plante onderzocht in de loop der jaren tientallen priesters en broeders die waren beschuldigd van seksueel misbruik van minderjarigen en extrapoleerde uit de gegevens van zijn klinische praktijk. Daaruit maakt hij op dat 2 tot 5 procent van de Amerikaanse priesters seks heeft gehad met iemand onder de 18. Volgens Plante wijkt dit cijfer niet af van andere, niet-celibataire kerkgenootschappen en ligt het lager dan dat van de mannelijke bevolking als geheel, dat hij houdt op 8 procent.

Dat misbruik in de Katholieke Kerk tot meer publicitaire ophef leidt en meer publieke verontwaardiging wekt dan misbruik in andere kerken, in scholen en sportverenigingen, schrijft Plante toe aan een combinatie van factoren: de kerkelijke aanspraak op moreel gezag, het gesloten karakter van de organisatie en de defensieve reactie op klachten. Misbruik kon in het verleden zo lang doorgaan en individuele misbruikplegers konden zoveel slachtoffers maken omdat de Kerk niet optrad, uit angst voor reputatieschade of schadeclaims. De omvang van het misbruik in de kerk is waarschijnlijk vooral een kwestie van regelmatige recidive. Niet van relatief veel daders, maar van veel slachtoffers per dader. Dat blijft schokkend, maar ondergraaft de celibaattheorie.

In januari 2002 publiceerde het dagblad The Boston Globe een reeks gevallen van ernstig en langdurig misbruik van minderjarigen in het aartsbisdom Boston. Het was een onthutsende illustratie van wat Plante ‘mismanagement’ noemt. Eén priester kon dertig jaar lang zijn gang gaan met kinderen onder zijn hoede. Als hij werd betrapt, werd hij overgeplaatst naar een andere parochie. De krant vond 130 van zijn slachtoffers en reconstrueerde de kerkelijke doofpotpraktijk. Het was deze publicatie die een lawine van andere onthullingen losmaakte.

De publicitaire aardschok forceerde in de VS ook een doorbraak in het onderzoek. In juni 2002 gaf de voltallige Amerikaanse bisschoppenconferentie opdracht tot een grootschalig, onafhankelijk onderzoek naar de aard en omvang van seksueel misbruik van minderjarigen door de geestelijkheid. Het onderzoek werd uitgevoerd door het John Jay College of Criminal Justice van de City University of New York. Onderzoeksleider was criminoloog Karen Terry. Haar team mocht surveys uitvoeren in 97 procent van de bisdommen. De onderzoekers kregen inzage in de (geanonimiseerde) gegevens over alle priesters tegen wie aanklachten waren ingediend en over al hun slachtoffers.

PIEK

In het eindverslag, dat in 2004 werd afgerond, staat dat in de periode 1950-2002 in totaal 10.667 personen een klacht hebben ingediend bij de Kerk wegens seksueel misbruik. Daarvan bleven er bij nader onderzoek 6.700 overeind en die hadden betrekking op 4.392 priesters, dat wil zeggen 4 procent van alle 109.694 priesters die actief waren in de onderzoeksperiode. De percentages per bisdom lijken sterk op elkaar; er zijn geen opvallende uitschieters. Het aantal klachten nam toe in de jaren zestig, bereikte een piek in de jaren zeventig, daalde weer in de jaren tachtig en was in de jaren negentig terug op het niveau van de jaren vijftig. Tweederde van de klachten is ingediend na 1990. Eenderde is niet nagetrokken, want werd ingediend nadat de priester in kwestie was gestorven.

Van de slachtoffers was 81 procent jongens, 6 procent was 7 jaar of jonger; 16 procent was tussen de 8 en de 10; en 15 procent was 16 of 17 jaar oud. De grootste groep slachtoffers (51 procent) was tussen de 11 en 14 jaar. De helft van de daders was 35 jaar of jonger toen zij voor het eerst misbruik pleegden. Bijna 70 procent van de aangeklaagde priesters was gewijd vóór 1970 en had het seminarie bezocht vóór de kerkhervorming van het Tweede Vaticaans Concilie. Van de daders was 59 procent aangeklaagd wegens één enkel vergrijp en nog geen 3 procent voor meer dan tien.

Het ‘John Jay Report’, zoals het is gaan heten, geldt nu als modelstudie. De Rotterdamse bisschop Van Luyn wil dat oud-minister Deetman een soortgelijk onderzoek instelt naar misbruik in de Nederlandse Kerk.

BETROUWBAAR

De Amerikaanse exercitie heeft de betrouwbaarste schatting tot nu toe opgeleverd van het aantal priesters dat zich de afgelopen halve eeuw schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van minderjarigen: 4 procent van de voltallige clerus. Voor een toetsing van de celibaattheorie is een even betrouwbaar percentage nodig voor de Amerikaanse samenleving als geheel. En dat is er niet.

Het is ook niet goed mogelijk om misbruik door Amerikaanse priesters systematisch te vergelijken met dat van niet-celibataire medeburgers die beroepshalve even intensief omgaan met puberende jongens en meisjes. Maar de schaarse beschikbare cijfers geven wel aanwijzingen.

De Amerikaanse journalist Patrick Boyle deed onderzoek in de archieven van de Boy Scouts en publiceerde daarover in 1994 een boek: Scout’s Honour: Sexual Abuse in America’s most trusted institution. In de periode 1971-1989 werden 416 leiders (hopmannen en vaandrigs) van de padvinderij ontslagen wegens seksueel misbruik. Boyle vond voor die periode 1.151 aanklachten. In die twee decennia telde de padvinderij 1 miljoen vrijwillige leidinggevenden.

In 2004 verscheen het verslag van een uitgebreid literatuuronderzoek naar seksueel wangedrag op Amerikaanse openbare scholen onder de titel: Educator Sexual Misconduct: A Synthesis of Existing Literature. Opdrachtgever was het ministerie van Onderwijs, onderzoeker was onderwijssocioloog Charol Shakeshaft van Hofstra University. Zij schat dat in de periode 1991-2000 zo’n 290.000 middelbare scholieren enigerlei seksueel misbruik hebben ondervonden van een docent of staflid, variërend van ongewenste aanrakingen door en naakt poseren voor een leraar tot verkrachting.

‘Hierbij valt het kerkelijke misbruik in het niet’, zei Shakeshaft tegen het persbureau AP.

Ook deze cijfers geven geen uitsluitsel, want er is geteld met verschillende methoden en voor uiteenlopende perioden. Maar ze zijn evenmin reden om de celibaattheorie voor waar aan te nemen.

De Duitse gerechtspsychiater Kröber draait de theorie om. Afgaande op zijn klinische ervaring denkt hij dat de geloofsovertuiging van priesters eerder remmend werkt op degenen die zich seksueel voelen aangetrokken tot minderjarigen.

KLACHTEN

De Duitse politiestatistieken over misbruik in de samenleving als geheel in de jaren 1995-2000, waaruit Kröber put, vertonen inderdaad een grote discrepantie met het opvallend lage cijfer (94) dat Der Spiegel boven water haalde over kerkelijk misbruik in dezelfde periode.

Toegegeven, het blad had geen inzage in de complete kerkelijke dossiers over interne klachten tegen priesters, zoals het team van John Jay. Maar de discrepantie tussen de Duitse en de Amerikaanse cijfers is minder groot dan zij op het eerste gezicht lijkt. De John Jay-onderzoekers constateerden een scherpe daling van het aantal misbruikgevallen in de jaren negentig. En in die jaren is de Amerikaanse clerus niet minder celibatair geworden. Evenmin als de Duitse.