Juist nu is relatie tussen Europa en VS aan orde

Het lijkt de laatste maanden mode om Amerikaanse politici in hun hemd te zetten als ze op bezoek komen.

Donderdag was minister Clinton van Buitenlandse Zaken in Moskou. Terwijl Clinton zich onderhield met collega Lavrov – over nucleaire wapenbeheersing – kondigde premier Poetin aan dat de Iraanse kernenergiecentrale in Bushehr, die draait op technologie en brandstof uit Rusland, deze zomer operationeel wordt. Clinton ervaarde dat terecht als een lange neus. Vorige week maakte vicepresident Biden min of meer hetzelfde mee in Israël. Hij werd daar welkom geheten met de mededeling dat er een bouwvergunning was afgegeven voor 1600 woningen in Oost-Jeruzalem.

Daarbij blijft het niet. De band tussen Europa en Amerika wordt ook op de proef gesteld. Het voor de hand liggende voorbeeld is Uruzgan. De Nederlandse missie vertrekt daar eind dit jaar omdat de verhoudingen tussen de coalitiepartners in het kabinet belangrijker waren dan bondgenootschappelijke overwegingen die beiden op de keper beschouwd nota bene wel degelijk deelden.

De broze relatie manifesteert zich breder. Zo kritiseert minister Gates van Defensie het hardnekkige antimilitarisme van Europa. En zo klaagt Airbus over protectionisme van het Pentagon, dat het eigen Boeing voortrekt bij een order voor een tankvliegtuig.

Het is niet raar dat aan weerszijden sombere prognoses de kop opsteken. De Duitse analyticus Joffe van Die Zeit heeft die onheilsprofetieën recentelijk op de hak genomen als een soort ideologie van verval dat zo oud is als de weg naar Rome. Maar toch. Het Amerikaanse weekblad Time schreef begin maart onder de kop The incredible shrinking Europe: „De Europeanen kunnen zich er niet op verlaten dat ze zich [...] voor altijd in de Amerikaanse gunst zullen kunnen verheugen. De wereld buiten de Europese grenzen is snel aan het veranderen”. In Foreign Affairs van deze maand waarschuwt de Britse historicus Ferguson juist dat de invloed van de kredietcrisis op de toekomst van de Verenigde Staten niet moet worden onderschat. In een artikel over „imperia op de rand van chaos” schrijft hij dat problemen die louter financieel lijken, in de geschiedenis juist vaak tot politieke systeemcrises hebben geleid.

Dat soort prognoses is natuurlijk voorbarig. Niemand kan met zekerheid voorspellen wanneer China of India de nieuwe supermachten zijn: 2027 of in 2040 dan wel 2050. Zoals ook niemand weet of China zolang een stabiele politieke structuur houdt.

Maar het is niet overdreven om vast te stellen dat de geopolitieke positie van de VS snel verandert. Obama is de personificatie van een heroriëntatie. Geboren op Hawaï en getogen op Java is hij de eerste Amerikaanse president voor wie Europa niet meer de primaire partner is. Obama, is, naar een typering van het German Marshall Fund, een representant van de ‘post-westerse wereld’.

Het onderwerp staat niet bovenaan de agenda. Ook Europa durft niet extrovert te zijn. Kredietcrisis en economische recessie hebben eerder een introverte houding gestimuleerd: ieder voor zich en God weet wie voor ons allen. Dat leidt tot niets. Ondanks verschillen van inzicht over het crisisbeleid zouden vooral Duitsland, Frankrijk en Engeland dit tij moeten keren. Want van Nederland valt dit jaar niet veel te verwachten, in zichzelf gekeerd als het nog steeds is.