In Duitsland zie je ook politieke versplintering

Bij elke verkiezingen weerklinkt de roep om de kiesdrempel. Maar liefst twee vertegenwoordigers van brede volkspartijen, Hans Hoogervorst (VVD) en Marnix van Rij (CDA) vroegen om invoering van dit wondermiddel (Opiniepagina, 17 maart). Volgens hen is de kiesdrempel de sleutel tot de Duitse stabiliteit. Dit is onzin. Ook in Duitsland zien we de laatste decennia een toenemende versplintering. Zo hadden de twee grote partijen in 1976 samen nog 48,6+42,6=91,2 procent. In de Bondsdag was één kleine partij te vinden met 7,9 procent. In 2009 geven de cijfers een heel ander beeld: CDU/CSU 33,8 en SPD 23 procent, samen 56,8 procent. De resterende 14,6, 10,7 en 11,9 procent zijn verdeeld over maar liefst drie levensvatbare partijen. In beide gevallen ging de rest naar splinterpartijen. Kortom: de kiesdrempel is geen garantie voor minder partijen. Het Nederlandse stelsel zonder kiesdrempel heeft juist voordelen. Het gaat radicalisering tegen, nieuwe stromingen voelen zich niet buitengesloten, ze hebben toegang tot de macht en moeten zich in compromissen leren handhaven. Wie dat niet lukt verdwijnt (Boerenpartij en LPF) of leidt een kwakkelend jojobestaan (D66).

Hoogervorst wil door invoering van het districtenstelsel nog meer mensen buitensluiten. Mag ik hem erop wijzen dat door het districtenstelsel grote delen van de liberale opinie in Groot-Brittannië niet vertegenwoordigd zijn?

Wat is dan wel de sleutel tot de zo benijde Duitse stabiliteit? Dat is de ‘constructieve motie van wantrouwen’. Deze regel is de eenvoud zelve: het parlement stuurt niet de zittende regering naar huis, maar kiest de nieuwe minister-president, die vervolgens een kabinet samenstelt. Dat is wat Duitsland stabiel maakt. En passant lost deze regel ook het populistische circus rondom de rechtstreeks gekozen minister-president op.

Willem Melching

Historicus UvA