'Ik ontsteek een vuurtje bij de mensen'

Claudia de Breij bekritiseert in voorstelling Hete Vrede het asociale gedrag van de mens. „Ik ben opgevoed met het idee dat je dingen vanuit de ander bekijkt.”

„Nergens sta ik liever dan hier”, zegt Claudia de Breij. Ze heeft het over haar plek op het podium, in haar nieuwe voorstelling Hete Vrede. Claudia de Breij, die jarenlang bekendstond als zangeres/cabaretier/columnist/radio- en tv-presentator, heeft haar keuze gemaakt. Ze voelt zich in de eerste plaats cabaretier, andere dingen doet ze af en toe. Een nieuwe serie tv-uitzendingen, die volgende maand zou worden opgenomen, heeft ze afgezegd. Haar leven draait voorlopig om de theateroptredens.

Hete Vrede, dat onlangs in première ging, werd enthousiast ontvangen: de kranten gaven de show vijfsterrenrecensies, de zalen zijn uitverkocht. Bijzonder aan deze voorstelling is het soepele samengaan van moraal en humor. Het frame voor het programma is een toekomstfantasie waarin De Breij, die sinds twee jaar een zoon heeft, in 2060 met een toekomstige kleinzoon praat.

De kleinzoon vraagt naar haar gedrag tijdens de periode van de ‘hete vrede’, oftewel ons heden. De Breij gaat ervan uit dat deze tijd in de geschiedenisboeken van 2060 zal worden beschreven als historisch scharnierpunt, met crises op het gebied van klimaat, voedsel en economie.

Dit uitgangspunt leidt tot tirades over hoe de helft van de wereldbevolking te zwaar is, en de andere helft honger heeft; over mensen die in de supermarkt gloeilampen hamsteren met het oog op een naderend verbod; over politici die cabaretiers zijn geworden. En dit alles met een ondertoon van deernis over dit land waar „een koude, harde wind waait”.

Ondertussen speelt ze gitaar en basgitaar en zingt ze aansprekende liedjes als Mag ik dan bij jou zijn. Haar royale zelfspot is grappig en De Breij blinkt uit in scheldpartijen en beschimpingen, gericht tegen het „laagschedelige huttenvolk” en de representanten van de roddelpers.

Gebruikt u zelf spaarlampen?

„Nee! Ik sta daar net zo goed tegen mezelf te schreeuwen. Het is precies zoals ik in de voorstelling tegen mijn denkbeeldige kleinzoon zeg: „Dan las oma bij het ontbijt in de krant: ‘Als we nu niet ingrijpen staat het water ons binnen 25 jaar tot aan de lippen.’ En dan stapte ik in de auto naar m’n werk en dacht de hele weg: nou, ik hoop maar dat iemand er iets aan doet. We hebben thuis overigens wel groene stroom.”

Wat was het uitgangspunt voor ‘Hete Vrede’?

„Ik wilde een onderzoek doen. Want ik zit ergens mee, namelijk: ik zie mijn eigen tijd niet goed. Ik kan me voorstellen dat het over vijftig jaar volkomen duidelijk is dat we er nu een rotzooi van maken en dat mijn kleinkinderen me daar op zullen afrekenen. Ooit wordt het een overzichtelijk rijtje: het tijdperk van de kredietcrisis, de voedselcrisis, de klimaatcrisis. Maar op dit moment zit ik met het gevoel ergens voor te moeten kiezen – terwijl ik niet weet wat de keuzen zijn.

„Ik snap niets van deze tijd. Zelf ben ik opgevoed met het idee dat je dingen ook altijd vanuit de ander moet bekijken. Dat was in de jaren tachtig. Toen waren we nog onder de indruk van de Tweede Wereldoorlog, het idee van ‘nooit meer een zondebok’ was voor iedereen vanzelfsprekend. Dat is míjn denkraam. Maar die nuance is op dit moment in het maatschappelijk debat afwezig.”

Hoe ontstond uw voorstelling?

„Ik heb veel gelezen over de onderwerpen, onder andere in Moral Clarity. A Guide for Grown-up Idealists van Susanne Neiman, en boeken van Bas Heijne en Geert Mak. Naar aanleiding daarvan heb ik eindeloos voor me uit zitten schrijven. Het leken wel essays, zo serieus. En heel moralistisch. Uit die notities ontstond later de voorstelling. Die draait wat mij betreft om het nemen van verantwoordelijkheid voor de beroerde situatie waarin we ons bevinden. Alles draait om de premisse die ik ergens tussen het gekrabbel terugvond en die nu als uitsmijter aan het eind opduikt: ‘Wie gaat hierover? Wij!’”

Bent u bang om moralistisch over te komen?

„Nu ik er eenmaal sta kan het me niet schelen, want ik pretendeer niet dat ik het beter weet dan iemand in de zaal. Tijdens het maken was ik er wel bang voor. Daarom heb ik leermeesters opgezocht.

„Ik ben op bezoek gegaan bij Geert Mak om mijn ideeën te toetsen. Ik vroeg of mijn vermoeden klopt, dat we in een tijd leven waar we door de toekomstige generatie op afgerekend worden. Hij beaamde dat, al zei hij ter relativering dat alle generaties onder die veronderstelling gebukt gaan. Ik heb ook gepraat met Bas Heijne over de egocentrische en verwende burger. Dat beeld gebruik ik ook in mijn voorstelling: dat van de 16 miljoen koningen-zonder-onderdanen die dit land regeren.”

Is grappig zijn voor u belangrijk?

„Ik zie mezelf niet als grappig. Ik wil in de eerste plaats duiden. En daar wil ik het publiek mee om de oren slaan. Vanuit de zaal krijg ik weerklank, ik heb het gevoel dat ik een vuurtje bij de mensen ontsteek. De brandstof is er al; ik hoef er maar een lucifer bij te houden, dan zie ik ze aangaan.”

Maar toch zoekt u de grap steeds op?

„Ik houd van keten. Als ik het over topzware dingen heb, moet ik ze soms onderuithalen om te kunnen lachen. Dat is een drift: zodra er ergens meer dan drie mensen bij elkaar zijn, ga ik entertainen.”

Wie zijn uw voorbeelden?

„Mensen als Herman van Veen en Ramses Shaffy. Als ik het even niet meer weet draai ik een lp van Shaffy: Dag en Nacht, mijn basisplaat. Op mijn zesde zag ik Van Veen in Carré en toen wist ik dat ik deze kant op wilde.

„Later hoorde ik hem op tv vertellen over zijn Nederlandstalige versie van Suzanne van Leonard Cohen. Over de vertaling zei hij: ‘Dit kon ik geloven’ en de wellust waarmee hij sprak over het feit dat de woorden klópten – dat sprak me enorm aan.

„Daardoor ging ik nog diezelfde avond proberen om een liedje te schrijven. Op het metrum van Suzanne, natuurlijk.”

‘Hete Vrede’ is uw vijfde voorstelling, maar u beschouwt deze als de derde. Waarom?

„Vroeger had ik nog schroom, maar die werp ik inmiddels per programma steeds meer van me af. Ik schaam me niet voor mijn eerste werk, maar nu is mijn timing beter, ik zing beter, de liedjes zijn beter. Mijn grappen zijn erop vooruitgegaan.

„Vroeger zag ik mensen nog wel eens wegzakken tijdens de voorstelling. Nu niet. Daardoor ben ik zelf geheel ontspannen. Tijdens de soundchecks hoeven we niets meer om te gooien, hoogstens nog wat feestelijk aanscherpen. Ik ben bij deze voorstelling – en trouwens ook bij de derde – duidelijk uitgegaan van één idee. Dat heeft gunstig uitgepakt.”

Wil dat zeggen dat u nu de sleutel tot de juiste aanpak heeft?

„Nee, ik wil niet spreken van de ‘Claudia-methode’. Als je een vaste stijl hebt, krijg je wat Youp van ‘t Hek nu meemaakt, dat mensen zeggen: ‘We weten het nu wel.’ Ik houd mijn opties open om bij een volgende voorstelling iets heel anders te doen. Misschien wel een liedjesprogramma, of wat dan ook.”

U zegt in Hete Vrede: ‘Wat ik zeker weet, dat zing ik’. Waaraan moeten uw liedjes voldoen?

„Een liedje moet zich op een ander abstractieniveau afspelen dan de gesproken tekst. Maar ik moet de mensen wakker houden en ze erbij trekken. In het hier en nu. Het moet daarom niet te multi-interpretabel zijn, zoals in popliedjes wél kan, en er mogen niet te veel metaforen in voorkomen, want dan ben ik de aandacht kwijt. „Ik zie het zo: tijdens mijn show spreek ik je de hele tijd aan. Ook in de liedjes; die zijn geen pauzes in de conference. Uiteindelijk zijn liedjes bij mij meestal liefdesliedjes. Over de waarde en betekenis van liefde durf ik stellig te zijn.”

Zowel in de voorstelling als in uw boek noemt u zichzelf een reservevrouw. Wat is dat?

„Ik zeg: ‘Ik ben een reservevrouw. Als alle vrouwen op zijn, bel je mij.’ Zo heb ik me lange tijd gevoeld. Er zijn vrouwen die wél elegant lopen en wél weten hoe je je make-up moet doen. Ik kijk tegen hen op, maar voel me er nauwelijks mee verwant. Gelukkig ken ik steeds meer vrouwen die zijn als ik: serieus met hun werk bezig en zonder prinsessengedrag.”

Hoe kijkt u nu naar vrouwen?

„Een kind krijgen werkt enorm nivellerend; ik heb tegenwoordig met iedere vrouw een gemeenschappelijk onderwerp. Inmiddels erger ik me zelfs aan het geschimp op het geklets van vrouwen. Alsof mannen zoveel boeiends te bespreken hebben. Ik had het nooit van mezelf verwacht, maar ik wil nu zelfs een lans breken voor vrouwengeneuzel. Want ook dat heeft een functie.”