'Ik hou altijd een zekere afstand'

Derk-Jan Eppink vertegenwoordigt de Vlaamse conservatieve partij LDD in het Europees Parlement. Gesprek met een Nederbelg uit de Achterhoek. ‘Nederlanders willen een contract. Maar in België gaat het om contact.’

Derk-Jan Eppink was dit jaar op de traditionele nieuwjaarsreceptie van de Belgische koning Albert. Alle gezagsdragers van het land worden daarvoor uitgenodigd: ministers, parlementariërs, generaals, de kardinaal. Omdat Eppink voor een Vlaamse partij in het Europees Parlement zit, mocht hij ook komen. „Ik denk dat ik de eerste Nederlander was die daar bij mocht zijn”, zegt hij. „Ik ben waarschijnlijk ook de eerste Nederlander die sinds 1830 de overstap maakte naar de Belgische politiek.”

Tijdens een van de gesprekken voor dit interview, in zijn kamer in het Europees Parlement in Brussel, klinkt af en toe een knal. Buiten demonstreren de Belgische vakbonden voor behoud van werkgelegenheid. „Dat is wel toepasselijk”, zegt Eppink.

Waarom?

„De komende jaren wordt het buigen of barsten voor België. Niet door een taalkwestie, zoals men in Nederland altijd denkt. Het gaat over geld. Het Belgische model wordt onbetaalbaar. De overheidssector groeit. De bevolking vergrijst. En uitkeringen zijn onbeperkt in de tijd. Weet je dat de werkloosheidswet hier wordt uitgevoerd door de vakbonden? Je moet als werkloze naar de vakbond om je geld te krijgen. En in Wallonië zit je met een grote socialistische partij die een politiek profiel heeft gebouwd op één belofte: geen verandering. Daarom blijft die partij overeind, ondanks corruptieschandalen. Elke werkloze Waal weet: de leiders kunnen corrupt zijn, ze drinken champagne, maar ze zorgen er in ieder geval voor dat ik m’n uitkering hou en dat de Vlamingen betalen.”

Hebben Nederlandse politici door dat hun buurland wel eens echt uit elkaar zou kunnen vallen?

„Totaal niet. En ze zouden er over moeten nadenken wat het betekent als dat gebeurt. Ik denk dat de Fransen de rekening al hebben opgemaakt. Behalve de energiesector hebben ze nu ook een groot deel van de Belgische banken overgenomen. Hoe België er ook uit zal zien, de kroonjuwelen hebben ze al. De Fransen zijn beter in Realpolitik.”

Derk-Jan Eppink (51) was de eerste die ging studeren in zijn familie, en hij denkt dat hij ook de eerste in het dorp was: Steenderen, in de Achterhoek.

Komt u nog wel eens in die regio?

„Af en toe. Ik heb twee broers en twee zussen, de meesten zijn in het dorp blijven wonen. Een tijdje geleden liep ik er doorheen met TV Gelderland. De winkel, het café, de feestzaal die er vroeger waren, ze waren allemaal gesloten. Nederland vergrijst ook, en het platteland helemaal. Er was een nieuwe seniorenflat gebouwd. Op de plek waar vroeger mijn kleuterschool stond.”

Iedere twee weken vliegt Eppink naar Amerika voor een weekend of langer. Zijn Russische vrouw woont in New York met hun zoontje van vier en dochter van zes maanden. Ze werkt daar voor de Verenigde Naties.

„Het vliegveld is mijn thuis”, zegt Eppink. „En wat raar is: er blijken meer mensen te zijn die dit doen. Als je regelmatig van de VS naar Europa vliegt, dan leer je mensen kennen. Sommigen zijn trouwens ook Europarlementariër.”

Het laatste zegt hij lachend. Derk-Jan Eppink praat graag over serieuze onderwerpen, zoals Europese politiek. Maar na een paar zinnen volgt meestal een grap. Over zijn zoontje bijvoorbeeld, die laatst bij een fractievergadering was.

Eppink: „Die mensen hier praten alleen maar, zei hij. En mijn kantoor noemde hij ‘de speelkamer’. Heel ontnuchterend allemaal om het door de ogen van een kind te zien. Hij was ook op zoek naar een heks – daar is hij op het moment erg mee bezig. Een Britse collega zei: Oh the witch, there are many of them here.”

Als kind ging hij zelf ook mee naar politieke bijeenkomsten. Zijn vader was raadslid voor de PvdA. Hij keek graag naar Kamerdebatten op televisie. „Als je me een foto laat zien van de Tweede Kamer in de jaren zeventig, dan kan ik 70 procent van de mensen bij naam aanduiden.” Sinds zijn jeugd voelt hij zich aangetrokken door politieke machtscentra.

Derk-Jan Eppink werkte in Den Haag als politiek redacteur voor NRC Handelsblad. Hij schreef vanuit Brussel over Belgische politiek voor de Vlaamse krant De Standaard. Hij zat in het kabinet van Frits Bolkestein toen die lid was van de Europese Commissie in Brussel. En nadat zijn vrouw een baan kreeg in New York volgde hij de Amerikaanse presidentsverkiezingen en schreef er een boek over. Dit voorjaar, als er parlementsverkiezingen zijn in Groot-Brittannië, gaat hij zijn geestverwanten van de Conservatieven helpen campagne te voeren. Hij verheugt zich erop, hij houdt van hun humor. „Ze noemen me hun continental ally.”

De eerste grens die Eppink overstak was de IJssel, toen hij naar Amsterdam ging om Europees recht te studeren aan de Vrije Universiteit. „Amsterdam was ver weg. Dat was sodom en gomorra.” Maar zijn vader steunde hem, zegt Eppink. Zijn vader werkte in de oorlog als dwangarbeider in Duitsland en had zelf nooit zijn school kunnen afmaken. Na de oorlog begon hij in een bouwbedrijf. De familie bestond verder vooral uit slagers en slachters.

De tweede grens was de Moerdijk. Na zijn studie werkte Eppink als stagiair bij de Europese Commissie en als assistent in het Europees Parlement. Er zaten toen veel bekende politici in dat parlement. Oud-ministers van Buitenlandse Zaken. Willy Brandt, de voormalige Duitse bondskanselier. „Die mensen kende ik van de televisie en in één keer zag ik ze bij de plasbakken.”

En nu is Derk-Jan Eppink dus zelf Europarlementariër, een van de 736. Ruim een jaar geleden werd hij gevraagd door Jean-Marie Dedecker, voormalig coach van de Belgische nationale judoploeg, die in 2007 zijn eigen partij begon: Lijst Dedecker (LDD). Het is een voor Belgische begrippen rechtse partij. Maar in de Nederlandse verhoudingen staat de LDD dichter bij de VVD dan bij de PVV, al wordt Jean-Marie Dedecker wel ‘populist’ genoemd.

Gefascineerd volgt hij het laatste politieke nieuws uit Nederland. In België, denkt Eppink, zou een bewindspersoon die zegt dat hij kiest voor zijn gezin met argwaan worden bekeken. „Men zou vragen: wat zit daar achter, een financieel schandaal misschien? In de VS zou men zeggen: die persoon was dus niet geschikt voor de baan. Voor mij tekent het de mentale zwakte van deze generatie politici. Ze hebben alles makkelijk gekregen: een studieplaats, een baan, een politieke carrière. Op het moment dat het moeilijk wordt – met Wilders – zijn ze weg.”

Anders dan de PVV, die ook nieuw is in het Europees Parlement, heeft Eppink zich wél aangesloten bij een fractie. „Anders heb je niets te zeggen.” Hij is lid van de Europese Conservatieven en Reformisten, een nieuwe fractie rond de Britse conservatieven. Eppink is tegen veel Europese wetgeving, die hij onnodig vindt, en tegen de toetreding van Turkije tot de EU. Hij wordt daarom wel tot de ‘eurosceptici’ gerekend. Maar dat klopt niet, vindt hij. Zelf noemt hij zich ‘eurorealist’. Eppink is ook vóór een gemeenschappelijk Europees energiebeleid, voor een Europese FBI, en voor een EU-macht voor vredestaken, vertelt hij tijdens een eerder gesprek in Straatsburg.

Is er veel veranderd sinds u hier in de jaren tachtig als assistent werkte?

„Het parlement is groot geworden in een sfeer van vrijblijvendheid. Destijds hadden parlementariërs nauwelijks macht. Daarom was er veel ruimte om te freewheelen. Nu heeft het Europees Parlement meer bevoegdheden dan menig nationaal parlement. Maar die cultuur van vrijblijvendheid is gebleven. Dat zie je bijvoorbeeld aan de samenstelling van commissies. De groenen willen in de milieucommissie, de boeren in de landbouwcommissie, en de mensen die zich met heel de wereld willen bezighouden, zitten in de commissie buitenlandse zaken. Er is hier altijd een vraag naar meer en groter. Dat komt omdat er geen regering is. In een normaal parlement heb je regeringsfracties en fractiediscipline – anders komt de regering ten val. Hier niet.”

En er wordt hier gepraat in een taal die voor buitenstaanders onbegrijpelijk is, zegt Eppink. „Een Vaticaanachtige taal. We zitten hier met mensen uit veel landen en uit veel politieke families. Het resultaat is vaak een document waar niemand tegen kan zijn.” Hij pakt een tekst van zijn bureau van de Europese Commissie over de Europese economie in 2020. Creating a competitive connected and greener economy. „Daar heb je een tekstexegese voor nodig. De gedachte is: competitive is voor rechts, connected is voor de christen-democraten, dat gaat over het maatschappelijk middenveld, en greener is voor de groenen. Iedereen krijgt een brokje. En samen gaan we op weg naar het beloofde land. Wat wij willen zijn is een fatsoenlijke oppositie tegen de gedachte dat Europa altijd meer moet doen.”

U praat over Europa alsof het een soort geloof is.

„Maar dat ís het ook”, zegt Eppink. Gisteren kwam hij in een lift Guy Verhofstadt tegen, de oud-premier van België die nu de liberale fractie leidt. „We hadden het over de Britse conservatieven. Hij zei: ‘Ja, maar ze hebben weinig Europese overtuiging.’ Kortom: ze zijn niet aangeraakt door de Heilige Geest.”

Is hier sociale druk bij de koffieautomaat?

„Ja, ik krijg wel opmerkingen van collega’s. Dan wordt er schamper gezegd: zó, gaan we Europa nog een beetje afbreken? Het zijn niet de Nederlanders die dat zeggen, hoor. Maar de meeste Vlaamse parlementsleden kijken sceptisch naar me. Bij Nederlanders als Hans van Baalen (VVD) en Wim van de Camp (CDA) zie je dat ze in een spagaat zitten. In de campagne voor de Europese verkiezingen zeiden ze bijvoorbeeld dat de EU minder ambtenaren nodig had. Of dat de Europese begroting wel omlaag kon. Maar nu stemmen ze gewoon met hun Europese fracties mee voor een hogere begroting voor 2010.”

Nooit de neiging gehad om ook te gaan geloven?

„Nee, ik heb een tegendraadse natuur.”

Waar komt dat vandaan?

„Dat is een vrij nuttige resistentie die ik heb opgebouwd. Als je grenzen overschrijdt, dan kom je telkens voor de vraag te staan: ga ik er volledig in op? Of kijk ik er naar, sta ik er bij, en vind ik er het mijne van? Dat is zo in Amsterdam, Den Haag, Brussel, New York. Ik hou altijd een zekere afstand.”

België bloeide rond 1900. Het was de plek waar de industriële revolutie op het Europese vasteland begon. Vandaar dat het land nog vol staat met monumentale gebouwen uit die tijd. De afdeling Oost-Vlaanderen van de Lijst Dedecker kwam onlangs bij elkaar in zo’n gebouw: zwembad Van Eyck in Gent. Het is het oudste overdekte zwembad van België. Je kunt er niet alleen zwemmen, maar ook nog altijd een bad nemen.

In Café Au Bain – met uitzicht op het water – hangen drie vlaggen. Eén van Lijst Dedecker, een van Vlaanderen en een Europese vlag. De laatste hangt er speciaal voor Derk-Jan Eppink. Ze zijn blij met hem, Eppink is in Vlaanderen bekender dan in Nederland. Al worden er natuurlijk wel grappen gemaakt over zijn Nederlanderschap.

„Hij heeft een topscore gehaald”, zegt Vlaams parlementslid Patricia De Waele. „En hij heeft een topsalaris. Dus misschien kan hij straks een rondje geven. Maar ja, ’t is een Hollander hè.” De mensen in de zaal lachen.

Eppink begint zijn toespraak ook met een grap. Een Hollander geeft alleen melk, zegt hij. „Zure melk.” Maar een Nederbelg – zo noemt hij zichzelf graag – heeft alleen champagne op voorraad. „Dat heb ik leren drinken in de Wetstraat, in volle teugen.” De Wetstraat in Brussel is het ‘Binnenhof’ van België.

Hij solliciteerde bij de Vlaamse krant De Standaard, omdat hij België beter wilde leren kennen, vertelt Eppink later. Maar hij was verrast toen de hoofdredacteur hem vroeg om meteen politiek redacteur te worden. „Dat leek me een gevaarlijke sprong. Maar bij De Standaard vonden ze het wel een interessant sociologisch project. België heeft een sterke hokjesgeest. Je krijgt een stempel en dat hou je, ook in de journalistiek. Men zegt: oh, die journalist is er één van ons. Waardoor alles wat je schrijft in een bepaald daglicht komt te staan. Je wordt gezien als de pen van een zuil. Ze dachten: een onbeschreven Nederlander, eens kijken wat daar uit komt.”

Hoe was dat?

„Ik was geen typische Hollander, geen Randstedeling die anderen vertelt hoe de dingen in elkaar zitten. Dan zou ik niet zijn aanvaard. Wat mij opviel was dat de verschillen tussen Vlaanderen en Holland toch wel zeer groot waren. In de manier van denken. Cultureel. In alles eigenlijk.

„Ik was hier tijdens de mislukte overname van de Generale Bank door ABN Amro. De Nederlandse bankiers Kalff en Rijkman Groenink kwamen naar Brussel met een vliegtuigje. Ze wilden op audiëntie bij de koning – of dat maar even geregeld kon worden. En ze namen hun intrek in het Hilton waar ze hun plan voorlegden: zo en zo moest het gebeuren. Ik zat dat te bekijken op de redactie van De Standaard en zag alle haren recht overeind gaan staan.

„Nederlanders willen een contract. Maar in België gaat het om contact. Je moet elkaar eerst leren kennen. Voor de boeken die ik heb geschreven, tekende ik pas een contract toen ze al lang op de markt waren. Een contract is voor Vlamingen een motie van wantrouwen. En ze vertrouwen het toch al niet. Als een Hollander u niet heeft gekloot dan is hij het zeker vergeten. Dat is hier een staande uitdrukking.”

Hoe ging dat met Belgische politici?

„In het begin was dat doodeng. Als ik iemand ontmoette, dan zei die: ‘Meneer, u bent Hollander.’ Dat was steeds de eerste opmerking. Maar veel oudere politici, die nog wel wat hebben met Nederland, gaven me ook wijze lessen.”

Eppink vertelt over Herman De Croo, oud-voorzitter van de Vlaamse liberalen en van de Belgische Kamer. „Die kwam op mij af en zei: ‘Meneer, ik zie dat u het nog niet begrijpt. U moet het gaan begrijpen, dus nodig ik u uit bij mij thuis, op zondag.’ De politicus nam hem mee voor een rit door zijn dorp Michelbeke. Te paard. „Minzaam groette hij de burgers vanuit de hoogte”, zegt Eppink. Hij kreeg ook een rondleiding door de „catacomben” van het huis, waar zo’n 70.000 dossiers lagen, keurig in bakjes gesorteerd. Die waren van kiezers die Herman De Croo had geholpen bij het vinden van een baan of een huis. Dienstbetoon heet dat.

In Nederland praatten politici de afgelopen jaren vaak over ‘het contact met de burger’. Belgische politici zijn altijd zeer actief geweest in hun eigen dorp of stad. Voelen ze beter aan wat er leeft?

„Dat zou ik niet zeggen. Het contact met de burger is hier intensief, niet alleen rond verkiezingen. Je moet naar kermissen, festijnen, en straks in het voorjaar komen de barbecues. Maar dat wil nog niet zeggen dat de politieke klasse alle problemen onmiddellijk aanpakt. Het vraagstuk van de immigratie heeft de Belgische politiek net zozeer gemist als de Nederlandse. Dat komt onder meer doordat Franstalige politici er geen enkel probleem in zagen. Ze beschouwden de immigranten die vaak uit Franstalige Afrikaanse landen komen als een manier om hun aantallen in Brussel en in België te versterken. Ze dachten: dat zijn onze stemmen. Het was voor hen de import van een nieuw electoraat.”

Hoe gaat het nu met België?

„België heeft tot 2015 de tijd. Daarna neemt het aantal mensen dat ouder is dan 65 snel toe. Het huidige model, waarin de Vlamingen betalen voor de Walen, wordt dan echt te duur. België kan dan uit elkaar vallen. Mensen zullen zeggen: wat een paniekzaaierij. Maar kijk gewoon naar de cijfers. Het is ook mogelijk dat Vlaanderen en Wallonië zelf verantwoordelijk worden voor hun inkomsten en uitgaven. Misschien dat de Vlamingen bereid zijn nog een jaar of tien geld te geven aan de Walen. Wat je dan krijgt, is een verdamping van de Belgische Staat.”

Wat zou Nederland moeten doen?

„Ik denk dat we een economische unie zouden moeten vormen met de Vlamingen. Geen politieke, dan voelen ze zich meteen geminoriseerd. Maar nauwe economische samenwerking is noodzakelijk. Samen hebben we een bruto nationaal product dat hoger ligt dan dat van veel regio’s in de wereld. Kijk maar naar een satellietkaart van Europa bij nacht. Waar licht brandt, zit economische macht. Dat is dus de Randstad plus de ‘Vlaamse ruit’: Antwerpen, Leuven, Brussel, Gent. Samen zouden we moeten kijken naar infrastructuur, milieuwetgeving, fiscale wetgeving. Met het doel bedrijven aan te trekken.”

Tijdens zijn vliegreizen werkt Eppink aan een nieuw boek, over Europa. Af en toe is hij ook nog in Rusland, voor bezoek aan de familie van zijn vrouw. Later dit jaar hoopt ze een baan te krijgen in Genève en dan verhuizen ze daarheen. Hun zoontje heeft er geen problemen mee, zegt Eppink, dat hij zijn vader weinig ziet. „Het is bij ons een manier van leven geworden.” En zelf houdt hij het ook gemakkelijk vol. „Na een weekend New York zit ik altijd vol energie. Dat komt doordat Amerikanen voortdurend bezig zijn met de toekomst, anders dan Europeanen. In Europa betekent toekomst: vroeg met pensioen.”