Een aan de Amstel levende dodenstad

Op begraafplaats Zorgvlied, aan de oever van de Amstel, leven de troostende woorden van dode dichters.

Mocht ik voortleven na de dood, dan graag in het dodenrijk van het oude Egypte. Mooi idee: wie dood is, steekt de Nijl over, waar het leven doorgaat in een necropolis vol tempels en piramides, bewoond door een bont gezelschap van goede en kwade goden.

Een begraafplaats is een stad van levende doden. Rangen en standen, geslachten en culturen, talenten en humeuren: ze liggen er naast en door elkaar. Ik zocht goed gezelschap, ik zocht troostende woorden. Dichters hebben die woorden ooit gevonden. Hun woorden leven. Hun lichamen wonen aan de andere kant van de rivier: langs de Amstel, op begraafplaats Zorgvlied.

Ik weet: hun woorden zijn eindeloos geciteerd, als Lucas 2:1 op Kerstavond. Waarom zouden we ook andere woorden zoeken? Iedereen sterft. Het is vruchteloos te denken dat we steeds weer nieuwe woorden kunnen vinden. Liever herhalen we woorden die we kennen: woorden met een tijdloos metrum.

Zorgvlied is geen kerkhof, het is een landschapspark waarvan vader Jan David en zoon Louis Paul Zocher omstreeks 1870 en 1890 de eerste ontwerpen maakten. De doden liggen er in ‘sfeerwijken’: een concept dat van recenter datum is – de boswijk, de romantische wijk, de moslimwijk, tot en met de wijk Paradiso voor kunstenaars die wild hebben geleefd (Herman Brood).

Trek een hele ochtend of middag uit voor een wandeling door het meest kunstzinnige hiernamaals van Nederland. Begin er in het kantoor; er staat een touch screen waarmee routes zijn uit te printen, voor een stille tocht langs onsterfelijke acteurs, architecten en schrijvers. Of dool rond en zoek de verrassing van toevallige ontmoetingen. Hé, Joop Doderer. Ach, Kerwin Duinmeijer.

Ik bezocht Zorgvlied op een schrale, grijze ochtend. Vaag hoorde ik een saxofoon treuren en liep in de richting van het geluid. Mijn blik ving een kist op de schouders van zes dragers, een saxofonist en een zwijgende stoet. Verdriet.

Ik haastte me naar de dichters. We voerden een goed gesprek zonder woorden.

Zonder jou

De wereld is wonderlijk leeg zonder jou.

Er staat maar zo weinig meer in.

De hemel is aldoor zo hinderlijk blauw.

Waarom? Wat heeft het voor zin?

De merel zit zachtjes te zingen in ’t groen.

Voor mij hoeft ie heus zo z’n best niet te doen.

De wereld kon vol van geluk zijn, maar nou:

leeg, zonder jou.

Zodra ik mijn ogen opsla

Zodra ik mijn ogen opsla

is het onzichtbare mij ontglipt

en begin ik te zien wat ik zie:

herinneringen aan wat ik zag

en ooit al zal zien. Door te zien

blijf ik mij herinneren;

en hoop ik dat ik besta.

Vooral als ik naar haar kijk

wanneer zij zo haar hand door

haar haar haalt, haar elleboog

steunend op haar knie, en zij

iets tegen mij zegt.

Sub finem

En nu nog maar alleen

het lichaam los te laten –

de liefste en de kinderen te laten gaan

alleen nog maar het sterke licht

het rode, zuivere van de late zon

te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.

Het werd, het was, het is gedaan.

Voor een dag van morgen

Wanneer ik morgen doodga,

vertel dan aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan de wind,

die in de bomen klimt

of uit de takken valt,

hoeveel ik van je hield.

Vertel het aan een kind,

dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier,

misschien alleen door het aan te kijken.

Vertel het aan de huizen van steen,

vertel het aan de stad,

hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.

Ze zouden je niet geloven.

Ze zouden niet willen geloven

dat alleen maar een man alleen maar een vrouw

dat een mens een mens zo liefhad als ik jou.

Recreatie

Twee keer per jaar

reden wij naar het kerkhof,

op het 4e graf, 3e rij links van de ingang

mocht ik bloemen zetten

in een groene zinken vaas

terwijl mijn vader knielde op een bankje

waar hij eerst zijn zakdoek overheen had gelegd

de wandeling tussen de graven

duurde vaak meer dan een uur,

mijn vader bracht bezoeken aan oude kennissen

en besprak met de tuinbaas

de verdere verfraaiing van het graf,

de een voelde meer voor een treurwilg

de ander voor een rozenboom

in het café tegenover het kerkhof

(er stonden houten spuwbakken

vol nat zand, uitgekauwde

pruimen en sigarenpeuken)

gingen wij daarna iets drinken

– koud bruin bier uit kruikjes –

en ook dat duurde meestal een uur

want de dood maakt dorstig.

Elisabeth Eybers (1915-2007)

Noudat jy swyg is daar niks meer

vir my om ooit nog te begeer

buiten die tydstip waarop ek

dieselfde stilte mag betrek

Na een jaar

Ik zie je nog, ik weet nog hoe je was,

En ik kan niet begrijpen dat het was

En nu voorbij is, van mij afgevallen.

Ik blijf ontkracht, een schaduw is gevallen,

En prevel maar je naam en kan niet leven,

Zonder je sterven niet en leven niet.

Ik ben alleen en bang als wie in droom

Merkt dat hij droomt, en kan ontwaken niet,

En blijft in zijn ontzetting machtloos loom.

Doelloos en leeg zie ik de wereld aan

En laat de wereld langs mij henengaan, –

Voor immermeer verminkt door hunkering

Naar jou terug, die slechts herinnering

Gedeeltelijk en vervormd nog vatten kan;

En dat is alles wat mij rest ervan,

En dit verdriet is alles wat mij rest

Als dierbaar eigenste, en ik vind geen rust

Dan door het korte zelfbedrog waarin

Ik mij oogluikende op jouw beeld bezin.

Suggesties voor meer bijzondere begraafplaatsen, of andere ‘plaatsen van troost’ zijn welkom via weekblad@ nrc.nl. Ze verschijnen op nrc.nl/weekblad.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In het artikel Een levende dodenstad aan de Amstel (NRC Weekblad, 20 maart, pagina 34) wordt 1928 als geboortejaar van Hans Andreus vermeld. Dit moet zijn 1926.