De opbrengsten van de zorg

De kosten van de automobielsector, van de automatiseringsbranche en van de toeristische bedrijfstak hebben de afgelopen decennia een enorme groei doorgemaakt. Is dat alarmerend nieuws, moet er drastisch bezuinigd worden om deze bedreigende trend te keren? Welnee, die kostentoename wijst er alleen op dat het succesvolle bedrijfstakken zijn die gewilde producten aanbieden. Om die te kunnen leveren, moeten zij kosten maken – salarissen van eigen medewerkers in de eerste plaats, en aanschaf van producten en diensten waarmee zij ook indirect voor bedrijvigheid en welvaart zorgen. Stijgende kosten zijn geen probleem als zij tot meer opbrengsten leiden. Het gaat om winst of verlies, het verschil tussen opbrengsten en kosten. Kosten alleen zeggen niets.

Ook in de gezondheidszorg zitten de kosten al jaar en dag flink in de lift. Vooral bij overheidsbeleidsmakers ligt die kostenontwikkeling onder het vergrootglas, wat er onder andere toe leidt dat de zorgsector bij de komende bezuinigingsrondes het meeste geld zal moeten inleveren. Maar niemand heeft het over de opbrengsten van de zorg. Is dat niet een beetje bizar, en lopen we niet het risico dat we een bedrijfstak de nek omdraaien door een kostenverbod op te leggen? Wie de automatiseringsbranche zou verbieden kosten te maken, áls dat al mogelijk was, jaagt een dynamische bedrijfstak over de kling en legt een belangrijke economische motor stil. Op grond waarvan geldt dat niet voor de zorg?

Dat we het in de zorg de hele tijd over de kosten hebben en nooit over de opbrengsten, is wel te begrijpen. De opbrengsten van de zorg komen terecht bij particuliere mensen, terwijl de kosten worden betaald door zorgverzekeraars en de overheid. Die ervaren zelf de voordelen niet en lopen dus de hele tijd te kermen dat het zo duur is. Aan de andere kant lopen mensen die net een chemokuur of een heupoperatie hebben ondergaan, niet te juichen dat ze zo tevreden zijn. Hun ervaring is op zijn gunstigst dat ze van een ongemak zijn verlost, niet dat ze voordeel hebben gehad van waardevolle en kostbare dienstverlening.

Van nature lijdt de zorgsector dus aan kritiek en zure gezichten, terwijl er weinig partijen zijn die lopen te juichen over wat er gepresteerd wordt. Wel zijn er zijn talloze beroeps- en belangengroeperingen, allemaal met hun eigen besturen, maar die zijn vooral naar binnen gericht. Zij vergaderen in de overlegcircuits met beleidsmakers, waarin het in hoofdzaak gaat over kosten en hoe die omhoog of omlaag zouden moeten. Als pleitbezorgers in het publieke domein zijn deze zorgmandarijnen niet te horen. Daarmee doen zij de sector ernstig tekort.

Het feit blijft dat de opbrengsten van de zorg spectaculair zijn. Zie alleen al de toename in levensverwachting van bijna tien jaar over de laatste halve eeuw, zo het CBS in 2008 rapporteerde. Dat is over de nu levende bevolking 160 miljoen gewonnen levensjaren, gerealiseerd in 50 jaar. Ruim drie miljoen gewonnen levensjaren per jaar dus – hoeveel is dat waard? Maar er is niemand uit de wereld van de gezondheidszorg die daar zelfs maar een deel van de eer voor opeist. Hebben de mandarijnen niet door dat de sector onder druk staat en dat ze het enorme belang ervan moeten verdedigen en uitdragen? Natuurlijk zijn voorlichting, minder roken en meer bewegen van invloed op de toegenomen levensverwachting. Maar we gaan ook minder en vooral later dood aan longontstekingen, dichtgeslibde kransslagaders en zelfs kanker. Dat is een verdienste van de zorgsector, en een enorme opbrengst. Maar erkenning daarvoor blijft achterwege. Onbewust lijken we er vanuit te gaan dat onze langere levensverwachting een soort natuurverschijnsel is dat toch wel opgetreden zou zijn, terwijl de kosten van de zorg niet meer zijn dan, ja, een last waar we wel zonder kunnen. Het risico is dat we daar pas achter komen wanneer de sector eenmaal fataal is afgeknepen en uitgekleed.

Overigens mag de parallel met de automatiseringsbranche en andere sectoren ook wel even worden doorgetrokken naar de mensen die in de zorg werken. Bijna een miljoen mensen verdienen er een inkomen, ruim een tiende van de beroepsbevolking, in een breed spectrum van schoonmakers tot wetenschappelijk onderzoekers. Een bedrijfstak van een dergelijke omvang is een economische motor van betekenis. Zeker als er aan de vraagkant afnemers op wachtlijsten staan te dringen, dan weet je zeker dat je iets in de aanbieding hebt dat mensen graag hebben. Zorgproducten zijn kennelijk nog gewilder dan de iPhone, daar wacht niemand langer dan een week op. Waarom moet het aanbod dan zo gerantsoeneerd worden?

Naast het gebrek aan pleitbezorgers heeft de zorg de laatste tijd met een extra handicap te kampen. De opbrengsten die zij levert, blijken niet een voordeel te zijn maar een last. Toegenomen levensverwachting is voor de mensen zelf een zegen, maar voor de beleidsmakers en hun financiële tekorten een groot probleem. Er ontstaan gaten in de reserves van de pensioenfondsen, de kosten van de AOW schieten omhoog en er blijven teveel woningen bezet door mensen die al dood hadden moeten zijn. Langer leven is voor de enkeling wel prettig, maar de wereld van de politieke economie kan het zich niet veroorloven. Het wachten is op beleidsmaatregelen die levensverlengende zorg voor tachtigjarigen ontmoedigt. Die grens kan dan over tien jaar terug naar zeventig. Dat is dan ook de leeftijd waarop we ophouden met werken, dus dat lost ook het probleem van de pensioen- en AOW-kosten op.

Opvallend dat er de laatste tijd zoveel te lezen valt over vrijwillige levensbeëindiging. Zou daar een door de overheid gesponsorde campagne achter zitten?