De lente begint op de dag van Milaan-Sanremo

Vroeger wonnen grote renners Milaan-Sanremo na een indrukwekkende solo, de laatste jaren winnen vooral sprinters. Italianen maakt het niet uit. Als het voorjaar maar begint.

Trots meldde deze week directeur Angelo Zomegnan in de organiserende krant La Gazzetta dello Sport dat Milaan-Sanremo twee uur en vijftig minuten lang rechtstreeks door de Italiaanse televisie wordt uitgezonden. Een record voor de Italiaanse openingsklassieker, voegde hij er aan toe. Voldoende reden voor hem te concluderen dat de ruim honderd jaar oude koers aan belangstelling heeft gewonnen.

Italiaanse wielerliefhebbers zullen hem niet tegenspreken. Een Italiaan die La Primavera, de koers die de lente aankondigt, wint is voor hen een campionissimo, een kampioen der kampioenen. Maar ook buitenlandse winnaars worden begroet als nieuwe goden. Want Italianen houden van wielrenners.

Vaak wordt door niet-Italiaanse wielerliefhebbers met scepsis naar het langdurig saaie wedstrijdverloop verwezen. De koers tussen Milaan en de bloemenkust wordt nog geen tien kilometer voor de finish pas spannend als de Poggio di Sanremo (een heuvel met een gemiddeld stijgingspercentage van 3,7 procent en een maximum van 8 procent) moet worden beklommen, gevolgd door een bochtige afdaling. En dan nog eindigt de finale in een massa sprint.

Vroeger wonnen grote renners na een lange solo. Dat waren de tijden van Fausto Coppi, Gino Bartali en Eddy Merckx, kopmannen van de hoogste categorie. Maar ook renners als Francesco Moser versnelden op de Poggio en stortten zich zonder vrees naar beneden, door de gevaarlijke bochten, scherend langs muurtjes, om dan als een kampioen de Via Roma op te stormen. Daar waar de Italiaanse fans naast enthousiaste Italiaanse politieagenten de winnaar luidkeels verwelkomden. Ademloos volgden de Italianen de escapades op de televisieschermen.

Hoe zal het de toeschouwers zijn vergaan toen Milaan-Sanremo nog niet op tv werd uitgezonden? Dan hoorden zij van de radioverslaggever of van de wedstrijdomroeper aan de finish wie er demarreerde op de Poggio, wie in de afdaling, wie in aantocht was. Dan doemde in de verte de aanstaande winnaar op en werd voor hem in de slotkilometer een grote triomftocht bereid. Nu zijn de ploegen samengesteld om hun beste sprinter over de korte, bochtige heuvels te loodsen op weg naar de laatste kilometers. Sterke, getrainde knechten in dienst van mannen die maar hoeven te volgen om dan in de laatste tweehonderd meter voluit te kunnen sprinten.

Inderdaad, saai voor mensen die zich niet meer willen laten verrassen. Wereldkampioen Francesco Moser, die in zijn nadagen (1984) het voor onbereikbaar gehouden werelduurrecord van Merckx brak door in Mexico 51.151 kilometer per uur te fietsen, Milaan-Sanremo magistraal won en vervolgens de Ronde van Italië, verklaart in Francesco Moser e cinquant’anni di ciclismo ( Francesco Moser en vijftig jaar wielrennen): „Ik ben wereldkampioen geworden, heb driemaal Parijs-Roubaix gewonnen, tweemaal de Ronde van Lombardije en een keer de Ronde van Italië, maar mijn mooiste triomf was Milaan-Sanremo. Toen ik mijn armen omhoog stak voor de finish, voelde ik me de beste renner aller tijden. Dat gevoel is miet meer uit mijn lijf te branden.”

Rino Negri, de legendarische wielerverslaggever van La Gazzetta dello Sport die sinds eind jaren veertig Coppi, Bartali, Louison Bobet, Rik Van Steenbergen, Merckx, Jan Raas, Roger De Vlaeminck, Moser, Giuseppe Saronni, Hennie Kuiper, Sean Kelly, Laurent Fignon, Gianni Bugno, Claudio Chiappucci en anderen heeft zien winnen, zei in een interview medio jaren negentig: „Ik kan het bijna niet aanzien wanneer de renners de Poggio oprijden. Ik probeer te zien met welk verzet ze rijden, de verschillen in verzet wil ik zien. Hoe bijvoorbeeld Moser zijn benen draaide, als door een betonmolen zo zwaar. Dan ga ik trillen en zweten, dan ben ik mijn zenuwen niet meer de baas. Mijn vrouw heeft me altijd gesteund, maar Milaan-Sanremo vond ze te riskant voor mij. Ze was opgelucht als het voorbij was. Ik ook, dan kon ik weer normaal ademen en mijn verslag schrijven.”

Negri zag de grote wielrenners steeds minder winnen, de sprinters kregen de overhand, gesteund door de knechten, tactisch bestuurd door hun ploegleiders. „Ik vind een massasprint prachtig, niets daarvan is minder dan een heroïsche solo. Maar die spanning op de Poggio wordt minder – meer voorspelbaar. Hetzelfde geldt voor de afdaling. Alle renners kunnen het tegenwoordig, alle renners zijn goed getraind en goed voorbereid. Helaas, sprinters zijn maar sprinters. Coppi, Merckx, Gimondi en Raas konden meer. Het wordt tijd voor een renner die afspraken met ploegleiders schendt, iedereen verrast en zichzelf de overwinning schenkt als bewijs van zijn superieure klasse.”

Negri’s woorden zijn vergeten en worden niet meer gehoord, zelfs niet door zijn leerling en opvolger als wielerverslaggever bij La Gazzetta dello Sport, Zomegnan, nu wedstrijddirecteur van onder meer Milaan-Sanremo. Zomegnan zei in een interview met de Gazzetta zich te verheugen op een sprint. „Geen klassieker die driehonderd kilometer lang is, wordt beslist in een massale sprint. Alleen Milaan-Sanremo. Parijs-Roubaix heeft specialisten, de Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik ook. Zo heeft onze wedstrijd die ook. Sprinters hebben bij ons een kans. De roep om meer hellingen begrijp ik. Maar Milaan-Sanremo is Milaan-Sanremo, de renners maken de koers. Ik heb zelden een winnaar gezien, die de liefhebbers niet aansprak.”

En zo bereiden de liefhebbers zich voor op een wedstrijd die na een urenlange voorbereiding, een gedirigeerd wandeltempo tot aan de laatste kilometers, ontploft in een sprintersfinale. Wordt het net als vorig jaar de Engelsman Mark Cavendish, voor de tweede keer de Italiaan Alessandro Petacchi, of voor de derde keer de Spanjaard Oscar Freire? Of toch de Belg Tom Boonen (sinds 1981, met Fons De Wolf, was er geen Belgische winnaar), of de Noor Edvald Boasson Hagen, de Italiaan Filippo Pozzato? Allen sprinters. De Zwitserse solist Fabian Cancellara, die al in 2008 won, zou een prachtige winnaar zijn. Nederlanders? Sinds 1985, Hennie Kuiper die in de afdaling van de Poggio zijn landgenoot Teun van Vliet inhaalde, was er geen Nederlandse winnaar. Een ‘loterijkoers’ noemen de verliezers Milaan-Sanremo. Waarom? Ze hebben de erelijst niet bekeken: heel veel toprenners wonnen. Niet voor niets spreken Italianen over La Classicissima, de klassieker aller klassiekers. Het is de koers die de lente aankondigt en weer vreugde in de wielerharten brengt.