De boel bij elkaar houden is niet genoeg

De euforie over de kandidatuur van Cohen duidt op radeloosheid over de opkomst van het populisme. Als volksvertegenwoordiger is Cohen een onbeschreven blad.

Bijzonder hoogleraar Grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam en publicist. Auteur van ‘Het land van aankomst’ (De Bezige Bij, 2007)

‘Verzoener in extreme tijden’ luidde afgelopen zaterdag de opgetogen opening van deze krant. „Binder des vaderlands”, zette De Groene op de omslag. Wel meer journalisten lieten de afgelopen dagen elke schijn van onpartijdigheid varen. Zo sterk is blijkbaar de opluchting – zeg maar gerust de euforie – die de kandidatuur van Job Cohen begeleidt. Dat geeft te denken. Want hoe groot moet de radeloosheid over de opkomst van het populisme wel niet zijn, dat zoveel wordt verwacht van de oud-burgemeester van Amsterdam? En wat zegt dat verlangen naar wisseling van de wacht eigenlijk over de generatie politici die het land sinds Fortuyn heeft geregeerd?

Er is alle reden om een stap terug te doen. Blair, Sarkozy en Obama riepen aanvankelijk een vergelijkbaar of zelfs groter enthousiasme op. Maar zelfs Obama, die toch buitengewoon getalenteerd is, heeft het een jaar later al moeilijk met een aartsconservatieve beweging als de Tea-Party. Terwijl daar de hoop van de natie vastloopt op een gezelschap theedrinkers, hebben velen hier hun hoop gevestigd op in een man die door het leven gaat als een theedrinker.

Het is niet zo moeilijk om in de bedachtzame en rijzige Cohen een toekomstige premier te zien. Op elk podium of bordes slaat hij een goed figuur. Maar om zijn kansen te wegen moet duidelijk zijn dat achter de val van het vijfde kabinet op rij een diepere crisis schuil gaat. Kort en goed: we maken het einde van het politieke bestel mee zoals dat in grote lijnen heeft gefunctioneerd sinds de invoering van het algemeen kiesrecht, nu bijna honderd jaar geleden. Sinds 1918 lag het kiezersaandeel van de drie hoofdstromen – liberalisme, socialisme en confessionalisme – ergens tussen de 80 en 90 procent. Waren in 1986 CDA, PvdA en VVD nog goed voor 133 zetels, vanaf 1998 zien we een snel dalende lijn. Bij de verkiezingen dat jaar was de omvang van hun electoraat 112 zetels, in 2006 nog 96 zetels en de laatste peilingen komen uit onder het symbolische aantal van 75 zetels.

De drie klassieke volkspartijen staan zwaar onder druk, om de eenvoudige reden dat de grote maatschappelijke vragen van deze tijd niet meer passen in de ideologische tegenstellingen van eind 19de eeuw. De hele links-rechtsdeling is door elkaar gehusseld. Voorbeelden zijn er genoeg: is het links of rechts om tegen de Europese grondwet te stemmen? Dat is moeilijk te zeggen, voor- en tegenstanders zijn op alle vleugels van de politiek te vinden. Ander voorbeeld: bij de verhoging van de AOW-leeftijd kan het gebeuren dat de FNV en de PVV ineens aan dezelfde kant staan. Dat geldt ook voor het immigratiebeleid, want de ondernemers willen graag meer immigratie van laaggeschoolden, en ook GroenLinks is voor een minder selectief beleid.

Links is niet meer links, rechts is niet meer rechts en daarom is het midden de weg kwijt. De traditionele partijen met hun overkoepelende ideeën over de samenleving vallen langzaam maar zeker uit elkaar: in iedereen schuilt wel een zwevende kiezer. En dus heeft de voormalige leider van D66, Hans van Mierlo, zijn grote gelijk gekregen. We gaan af op een ‘ontploffing’ van het politieke bestel of preciezer: een implosie van het bestel. Maar we moeten ook de achterkant van zijn gelijk zien, want niet het pragmatisme zet de toon maar het populisme. Hij was een voorloper die vooralsnog het nakijken heeft.

Waar komt dat onbehagen vandaan? Niet alleen in Nederland hebben veel mensen het gevoel dat een vertrouwde wereld verloren gaat en dat het er niet beter op wordt. Dat vertaalt zich in een conservatieve onderstroom. Het gaat om behoud van sociale verworvenheden van vooral oudere generaties. De vrees voor sociale daling is natuurlijk het sterkst bij degenen die zich net een positie in de lagere middenklasse hebben verworven en die niet ten onrechte vrezen dat de globalisering zal werken naar het principe last in, first out. Naast dat sociale protectionisme, speelt een cultureel protectionisme. Daarbij gaat het om behoud van wat wordt gezien als een ‘nationale identiteit’. En dat laatste is blijkens veel onderzoek een sterker motief om te kiezen voor populistische partijen dan de vrees voor sociale daling. Deze ontwikkeling vinden we terug van Oranje tv tot Trots op Nederland, van de PVV tot Wakker Nederland, van de SP tot Boer zoekt vrouw.

De elites reageren onzeker op deze uitdaging. In een debat met oud-premier Ruud Lubbers viel mij op hoe vaak hij de uitdrukking ‘democratie is niet voor bange mensen’ gebruikte. Maar democratie is nu juist bij uitstek het middel om onmacht om te zetten in handelen. De keuze voor populistische politici overal in Europa is in de eerste plaats de uitdrukking van een onbehagen dat naar woordvoerders zoekt. Te gemakkelijk wordt dat weggezet als bangigheid die geen redelijke aanleiding kent.

Die gisting is volop aan de gang en stelt de traditionele partijen voor grote problemen. Misschien is samenhang alleen nog mogelijk in éénpersoonspartijen: het D66 van Pechtold, de PVV van Wilders of de SP van Marijnissen. Ook de grote verandering in de kiezersgunst die Job Cohen lijkt te bewerkstelligen past in de verpersoonlijking van de politiek. Niet de partij maar de persoon dwingt respect af. Niet een programma maar een houding verleidt mensen. Want Cohens ideeën bestaan uit een aantal algemene oriëntaties zoals het aan Joop den Uyl ontleende ‘de boel bij elkaar houden’ en het van de Israëlische filosoof Avishai Margalith geleende begrip van de ‘fatsoenlijke samenleving’.

Cohen is als volksvertegenwoordiger een onbeschreven blad en dat maakt het mogelijk dat iedereen zo zijn eigen invuloefening kan plegen. De vraag is natuurlijk hoe lang hij zijn bovenpartijdige rol kan koesteren in de heftige polemiek die het huidige parlement kenmerkt. Cohen is immers een bestuurder die de tegenstrijdigheid van een behoudend programma – ‘de boel bij elkaar houden’ – en zijn verlangen naar een zo ‘progressief mogelijke regering’ nog moet zien op te lossen.

En hij is een bestuurder die het ‘normen en waarden’-debat – dat Balkenende ten onrechte helemaal heeft laten verslonzen – voort wil zetten onder de noemer van de fatsoenlijke samenleving. De apolitieke Cohen is ook wat dat betreft erg op het maatschappelijke midden gericht en in die zin een erfgenaam van Wim Kok. Maar dat heeft allemaal weinig te maken met de ideologische tegenstellingen van weleer. Opnieuw zien we hoe de maatschappelijke werkelijkheid steeds verder losraakt van de traditionele politieke scheidslijnen.

Een herhaling van 2002 hangt in de lucht met Wilders in de rol van Fortuyn. Toch is er veel anders, al was het maar omdat straks de bestrijding van de economische crisis wel eens zwaarder zou kunnen wegen dan het debat over de opvattingen van Wilders. Ook dat is voor Cohen niet gemakkelijk op te lossen, want eigenlijk ontleent hij zijn aantrekkingskracht aan de dreiging die Wilders meebrengt. Electoraal leeft Cohen van de polarisatie die hij wil overwinnen. Hoe meer de strijd om de kiezersgunst op sociaal-economisch terrein wordt uitgevochten, hoe minder hij zijn stempel op het geheel zal kunnen drukken.

Ook al is Cohen weinig uitgesproken, zijn opvattingen op het gebied van integratie zijn niet vrij van tegenstrijdigheden. Hij is zeker niet als ‘soft’ weg te zetten, want zijn succes in Amsterdam dankt hij mede aan de keuze voor politici als Aboutaleb, Marcouch en Asscher, die allemaal een scherpe toon hanteren en de eigen verantwoordelijkheid van migranten benadrukken. Tegelijk concludeert Cohen in zijn Abel Herzberg-lezing (2001): „Als wij bereid zijn vreemdelingen en allochtonen in onze samenleving op te nemen als volwaardige burgers, dan zullen zij daadwerkelijk volwaardige burgers zijn.” Dat wijst natuurlijk in een andere richting, want zo wordt nu juist de eigen verantwoordelijkheid van migranten ontkend.

Cohen heeft het over een nieuwe doorbraak, nu veel moslims de weg naar de sociaal-democratie hebben gevonden. Dat roept herinneringen op aan het naoorlogse Nederland toen katholieken en protestanten zich bij de PvdA aansloten. Maar hij vergeet erbij te zeggen dat het toen juist om christenen ging die zich niet meer thuis voelden in hun zuil. Het betrof mensen met hervormingsgezinde opvattingen die de leerstellige uitleg van hun geloof verwierpen. Geldt dat ook voor deze ‘nieuwe doorbraak’?

Nog los van deze onbeantwoorde vragen zal de politieke versnippering ook voor een eventuele premier Cohen een hindernis van betekenis blijken, zeker in een tijd dat voor vrijwel iedereen de gevolgen van de crisis tastbaar zullen worden. Een kabinet van CDA en PvdA is na alles wat er is gebeurd moeilijk voorstelbaar – of Herman Wijffels zou Balkenende moeten gaan vervangen – en omdat door vrijwel iedereen samenwerking met de PVV ondenkbaar wordt geacht, blijft vooralsnog als enig mogelijk meerderheidskabinet een coalitie van VVD, D66, PvdA en GroenLinks over. Dat zoiets serieus wordt overwogen laat al zien dat de traditionele links-rechtsdeling veel minder relevant is geworden.

Toch is zo’n kabinet zowel voor de VVD als voor de PvdA nogal problematisch. De liberalen nemen daarmee afscheid van de ambitie om de kiezers van Wilders en Verdonk terug te winnen en voor de PvdA geldt dat daarmee de afstand tot het electoraat van de SP en ook de PVV nog groter zal worden. Dat is in een notedop het grote dilemma: de klassieke partijen zien hun opdracht van maatschappelijke integratie teloorgaan, wanneer ze zich vereenzelvigen met het meer internationaal georiënteerde deel van de middenklasse. Wat voor Paars gold – dat de opmaat vormde voor Fortuyn – zou nog wel eens in heviger mate kunnen gelden voor Paars plus.

Terug naar het oude bestel kan niet meer, alle linkse en rechtse retoriek ten spijt. Vooruit is onzeker tasten, waarbij vooral de volgelingen van Van Mierlo zich moeten realiseren dat de meerderheid van de bevolking niet bestaat uit ontspannen wereldburgers, maar uit mensen die een plaatsgebonden leven leiden. Dat is de grote kwestie van deze tijd, want het is niet goed wanneer de samenleving steeds verder verdeeld raakt tussen wereldburgers en kleinburgers en tegelijk de kloof tussen laag- en hoogopgeleid zich verder verdiept. Als het sociaal-liberalisme deze integratieopdracht verwaarloost dan verergert zo’n coalitie de maatschappelijke instabiliteit.

We zien de hang naar afsluiting en weten niet goed hoe daarop moet worden gereageerd. Luisteren naar de boze burger lijkt niet te helpen, negeren is mogelijk maar moeilijk in een democratie en de poging om Wilders door de rechter te laten intomen heeft het tegenovergestelde effect. Wat ontbreekt is een idee over Nederland dat voorbij de verdeeldheid reikt. Het gaat niet alleen om behouden maar vooral om vernieuwen. Meer nog dan hoe we de boel bij elkaar houden, gaat het erom hoe we de boel bij elkaar brengen.

Nederland heeft zich door de eeuwen heen als open economie ontwikkeld. Ook in cultureel opzicht valt weinig te winnen door met de rug naar de buitenwereld te gaan staan, als zoiets al mogelijk zou zijn. Maar die vaststelling voldoet niet: de globalisering vraagt om openheid én bescherming. Het is niet gemakkelijk om beide te combineren, maar er is geen ontkomen aan willen meerderheden hun vertrouwen in de democratie niet verliezen. Te vaak wordt gezegd: als we niet meegaan in de vaart der volkeren dan worden we een ‘museum’. Eigenlijk hebben we niets te kiezen. Mocht dat waar zijn, dan kan het niemand verbazen dat de democratie in diskrediet raakt.

Maar we hebben natuurlijk wel iets te kiezen. De kredietcrisis heeft de perverse kanten getoond van een onbegrensde markteconomie. Cees van Lede, voormalig bestuursvoorzitter van AkzoNobel, velt een hard oordeel over de huidige leiders van het bedrijfsleven: „De loyaliteit is weg. Wat is het beste voor mij en waar kan ik het krijgen. En bedrijven halen mensen binnen die er geen geschiedenis mee hebben, geen gevoel voor de cultuur ervan.” Hij noemt als voorbeeld Anders Moberg, die Ahold kwam redden: „Die is ook al weer weg bij het volgende bedrijf. Huurlingen zijn het. Mensen die een klus komen klaren. Als ik dat hoor weet ik genoeg.” (NRC Handelsblad, 3 januari 2009).

De politiek zou daar een antwoord op moeten geven, maar is te veel meegegaan met de gedachte dat de maatschappij een marktplaats is. Zeker, de samenleving is minder maakbaar dan in de jaren van de wederopbouw werd gedacht, maar is veel meer maakbaar dan in de jaren van de privatisering werd aangenomen. Die conclusie kunnen we wel trekken uit de kredietcrisis. Dat is een heilzame ervaring als de schok van de globalisering wordt gebruikt om de samenleving te verbeteren.

De vertrouwensvraag is gesteld. Antwoord moet worden gegeven op de behoefte aan sociale bescherming. Dat vraagt niet om vasthouden aan het bestaande, maar om een hervorming van de verzorgingsstaat die betrouwbaar en voorspelbaar is. Er is te weinig een stabiel beeld aan mensen voorgehouden. De gevolgen van de vergrijzing zijn bekend en vragen om duurzame antwoorden. Gebruiken we de crisis om tot een werkelijke heroverweging te komen? Hoe kan de sociale zekerheid meer dan nu het geval is de emancipatie bevorderen?

Verder moet de hang naar de culturele afsluiting worden beantwoord. Ook hier is behoudzucht nooit het goede antwoord. Verhalen zijnnodig waarin erfgoed en openheid samengaan, waarin een zeker idee over Nederland wordt uiteengezet. De verbeelding van een gemeenschap van burgers – met inbegrip van de één op de vijf inwoners die hun wortels elders hebben – is een dringende opgave. Wil de groeiende vervreemding worden tegengegaan dan moet de nadruk niet alleen liggen op het hier en nu, maar juist op wat er aan ons vooraf is gegaan en wat er na ons komt. Burgerschap heeft namelijk alles te maken met het gevoel deel uit te maken van een doorgaande geschiedenis; een geschiedenis die natuurlijk op uiteenlopende manieren kan worden uitgelegd.

Terecht legt Cohen nadruk op het gevoel van onveiligheid. Inderdaad is rechtshandhaving een van de meest wezenlijke kwesties. Want het is duidelijk: mensen stellen zich niet open wanneer zij zich buitenshuis ongemakkelijk voelen. Verdraagzaamheid bestaat bij de gratie van veiligheid. Die nadruk op veiligheid ten spijt, hoe helder is Cohen hierover? Uitgerekend bij de eerste naturalisatiedag op 24 augustus 2006 zei Cohen zei hij ten overstaan van al degenen die hun paspoort kregen: „Sommige dingen mogen niet van de wet, maar we vinden soms toch dat ze moeten worden toegestaan. Gedogen heet dat, een woord dat moeilijk te vertalen is. Waarom? Omdat andere landen dat verschijnsel niet op die manier kennen.” Anderen zouden in een lakse wetshandhaving juist geen traditie zien waar nieuwkomers trots op moeten worden gewezen.

De komende tachtig dagen tot de verkiezingsdag zullen duidelijk moeten maken of Cohen inderdaad een ‘binder des vaderlands' en een ‘verzoener in extreme tijden’ zal zijn. Juist omdat hij een grote verantwoordelijkheid op zich neemt, verdient Cohen een kritische pers. Zijn zelfverklaarde missie zal alleen lukken als hij inziet dat de implosie van het oude bestel niet vraagt om restauratie, maar om werkelijke vernieuwing. Zijn bovenpartijdige rol werkt alleen als er stabiele partijen zijn. Op termijn zal nieuwe partijvorming noodzakelijk zijn en ook een nieuw kiesstelsel. Wanneer Cohen als premier wil slagen dan zal hij ruimte moeten bieden aan zulke initiatieven, want anders zal ook hij snel vastlopen in de onregeerbaarheid van een zeer verdeeld land.