Bloemspotten

Met slim gekozen wandel- en fietsroutes leidt ecoloog

Ton Denters de liefhebber naar voor een gebied kenmerkende plantensoorten.

De natuur is laat dit jaar”, zegt Ton Denters. Op zijn blauw-gele OV-fiets crosst de boomlange bioloog, rugzakje achterop, door het nog kale Haagse Bos. Sneeuwklokjes vormen witte tapijten onder de oude beuken. Hier en daar schemert het geel van de winterakoniet tussen de bomen. Oosterse sterhyacintjes staan in knop. “Over drie weken staat het bos in bloei”, verzekert Denters.

De freelance ecoloog is auteur van de donderdag verschenen Plantenkijk- en wandelgids van Nederland. Zijn plantengids leidt de liefhebber via slim gekozen fiets- en wandelroutes met kaartjes vol kijkpunten met GPS-coördinaten naar de beste plekken. Een van de 25 botanische tochten voert van station Den Haag Centraal via het Haagse Bos langs een snoer van buitens, zoals Reigersbergen, Marlot, Oosterbeek en Clingendael, naar de duinen van Wassenaar en Meijendel.

Onderweg wordt de lezer bijgepraat over de geschiedenis van het landschap. Zo blijkt het Haagse Bos, dat op een oude strandwal ligt, een restant te zijn van het Schakenbos, dat zich 4.000 jaar geleden langs de kust uitstrekte van ’s-Gravenzande tot Alkmaar. Delen van dit oerbos zijn nooit ontgonnen, omdat de Graven van Holland ze als jachtgebied in stand wilden houden. Uiteindelijk werd in de Akte van Redemptie (1576) bepaald dat het Haagse Bos niet gekapt mocht worden. Willem van Oranje ondertekende de akte, die nog steeds van kracht is, als oudste natuurbeschermingswet in ons land. Die bescherming was bepaald niet waterdicht – aan het eind van de oorlog stond nog maar 15 procent van de bomen overeind. Maar de naoorlogse herplant had succes en inmiddels staat hier weer een volwassen bos.

Volgens Denters heeft Den Haag een onwaarschijnlijk rijke flora. In en om de hofstad vind je ruim 900 van de 1.600 Nederlandse wilde plantensoorten. Dit is het domein van de uiterst zeldzame schubvaren. In de Scheveningse Bosjes groeit berglook en in de duinen van Meijendel staat kruisbladgentiaan. Sommige oude duinterreintjes, zoals Wapendal, liggen middenin de stad. Bijzonder zijn ook de vele Haagse buitens met hun rijke stinsenflora. Talloze bolgewasjes doen het goed op de vochtige, kalkhoudende, voedselrijke bosgrond. Hier staan sneeuwklokjes en sterhyacint. Boerenkrokus en bosanemoon. Vingerhelmbloem en vogelmelk. Te veel om op te noemen. “’s Zomers heb je onder die oude bomen weinig licht, maar in het voorjaar is het bos nog kaal en dan komen zulke bolgewasjes goed tot hun recht”, legt Denters uit. “Stinsenplanten zijn vanaf de 16de eeuw geïntroduceerd. In de 18de en 19de eeuw, toen de parken werden herschapen in de romantische Engelse landschapsstijl, zijn ze massaal aangeplant, zo los en luchtig mogelijk, vooral langs oprijlanen en rond vijvers. Sindsdien zijn ze verwilderd.” Hij bukt zich bij een polletje dubbelbloemige sneeuwklokjes. “Zo’n botanische rariteit vonden de landgoedeigenaren leuk. Dan gingen ze bij elkaar op de thee en brachten wat bijzonders mee. Zo zijn die bijzonderheden speciaal vermeerderd en verder verspreid.” Boven zijn hoofd krijst een groep halsbandparkieten, in het weiland verderop kuieren vijf ooievaars. De lente zit in de lucht.

DISTRICTEN

Van kinds af is Denters gefascineerd door de vraag waarom een plant staat waar hij staat. Helm en duinviooltjes zie je altijd aan zee. In het rivierengebied staan van oorsprong Midden-Europese stroomdalplanten, zoals kruisdistel en rapunzelklokje. In Zuid-Limburg groeien kalkplanten, zoals gentianen en orchideeën. Plantensociologen hebben onze flora ingedeeld in twaalf districten, elk met een eigen karakter en eigen kenmerkende soorten. De indeling in floradistricten ligt ten grondslag aan het boek. De verspreidingspatronen hangen nauw samen met verschillen in bodemopbouw en klimaat. Zo onderscheidt men het Laagveendistrict met zijn laagveenmoerassen en verlandingsvegetaties naast het Noordelijk kleidistrict met zijn kwelders en zeekleigebieden. Denters: “Juist die West-Nederlandse laagveennatuur is heel karakteristiek, die vind je bijna nergens ter wereld. De moerasandijvie is een oer-Hollandse plant. Ook onze duinen en de zoetwatergetijdenatuur, bijvoorbeeld van de Biesbosch, zijn ook internationaal bezien echte zwaartepunten.”

STIEFKINDJE

Zelf is Denters ‘grondlegger’ van het urbaan district, dat met zijn vele overlappende rode stippen het kaartbeeld van de Randstad vult. Het urbane district is nu officieel opgenomen in de Heukels’ Flora van Nederland. Denters: “Het urbane gebied was altijd een stiefkindje, een zwarte plek op de kaart, terwijl het juist zo boeiend is.” Het dynamische stadsmilieu met zijn warmere klimaat brengt typische stadsplanten voort. Zoals zeldzame muurvarens, die warmteminnend en vorstgevoelig zijn, maar ook wilde planten die in het buitengebied heel schaars zijn geworden, zoals knikbloem, heelbeen en slanke mantelanjer. “Door bodemtransporten en het inzaaien van soorten zijn de grenzen vervaagd, maar de oorspronkelijke floradistricten zijn zeker nog herkenbaar”, zegt Denters.

Voor elk floradistrict koos Denters enkele typerende soorten. Zo ontstonden 140 plantenportretten met kijktips, ondersteund met GPS-coördinaten. Al met al heeft hij ruim twee jaar aan het boek gewerkt, met steun van Floron, Staatsbosbeheer en het Nationaal Herbarium Leiden. Via de website van Fontaine uitgevers zijn zes wandelkaartjes gratis te downloaden als smaakmaker.

Hoe voorkom je nou dat de zeldzame planten worden geplunderd? Denters: “Dat is een reëel gevaar, maar je moet het niet overdrijven. Van de kwetsbare soorten heb ik groeiplekken gekozen die ook volgens terreinbeheerders tamelijk veilig zijn. Over orchideeën is men doorgaans erg terughoudend, omdat zij soms uitgestoken worden. Maar door bijzondere plekken te noemen, kweek je ook draagvlak voor bescherming. Je kunt niet alle natuur achter hekken houden.”

NIEUWKOMERS

Volgens Denters keren diverse zeldzame plantensoorten sinds een jaar of tien spectaculair terug. “Binnen de Ecologische Hoofdstructuur is veel tot stand gebracht. Dat stemt mij optimistisch. We krijgen het terreinbeheer steeds beter in de vingers. Vrijwel verdwenen Rode Lijstsoorten als moerashertshooi en waterlobelia zijn niet meer zo superzeldzaam. In de stroomdalgraslanden zijn veldsalie, rode bremraap en brede ereprijs terug. In de Kempen, en in het Dwingelderveld, wordt de natuur weer verschraald en vernat en zie je steeds meer klokjesgentianen. De laatste Flora, uit 2005, telt 150 nieuwe soorten, waaronder 90 nieuwkomers in het stedelijk gebied, uit zuidelijker streken, zoals kruipklokje en gevlamde fijnstraal. We hebben heel wat nieuwe namen bedacht.”

Ton Denters. Plantenkijk/wandelgids van Nederland, in tochten. Paperback met flappen. pag. kleurenfoto’s. Prijs € Fontaine Uitgevers, .