Zoenen in museum kan ook kunst zijn

Wat schattig, dacht ik nog toen ik vorige week in het Guggenheim in New York twee jonge mensen innig zag zoenen midden in Frank Lloyd Wrights immense museumgebouw. Zeker net verliefd, of misschien wel op huwelijksreis. Maar toen ze vervolgens in slowmotion door hun knieën zakten en ik in hun liefdesbalts eerst een sculptuur van Rodin en vervolgens een pose van Jeff Koons ontdekte, wist ik: dit moet een kunstwerk zijn.

Bij het betreden van de spiraalvormige galerij werd ik even later aangesproken door een meisje van een jaar of acht. Ze stak haar hand uit, stelde zich voor als Lisa en zei: „Dit is een kunstwerk van Tino Sehgal. Wilt u mij volgen?” Samen liepen we de hellingbaan op toen ze vroeg: „Wat is vooruitgang?” Ik mompelde iets vaags en Lisa antwoordde met „interessant”, om vervolgens door te vragen. Al pratend bereikten we de tweede verdieping, waar een jongen van een jaar of zestien zich bij ons voegde. Lisa vatte voor hem samen wat ik haar verteld had en rende toen weer hard naar beneden, naar een volgend slachtoffer.

De estafettetruc werd nog twee keer herhaald. Na de tiener ontmoette ik een veertigjarige vrouw en een gepensioneerde dame. We spraken over onderwerpen als boeddhisme, xenofobie, de waarde van geld. En het leek wel of met het klimmen der jaren en naarmate we hoger in de spiraal kwamen, de gesprekken steeds filosofischer werden. Onderweg passeerden we tientallen andere bezoekers, net als ik ook allemaal begeleid door een gesprekspartner. Pas na een cirkel of drie viel me op dat er in de spiraal helemaal geen schilderijen hingen. Wij, de bezoekers, vormden het kunstwerk. Wij vulden dit prachtige museumgebouw met onze woorden – met geroezemoes.

Het gebeurt niet vaak dat je zo verfrist en gelouterd een museum weer uitkomt. Gek eigenlijk, want goede gesprekken kun je in het dagelijks leven ook aangaan. Blijkbaar zijn het de geconcentreerde vorm van Sehgals kunstwerk, zijn strakke regie en de kunstmatige omgeving die bepalend zijn voor deze unieke ervaring.

Een dag eerder had ik in het MoMA iets vergelijkbaars meegemaakt. Op het grootse retrospectief van Marina Abramovic dat daar te zien is draait het ook om de aanwezigheid van echte mensen. Beruchte oude performances van de kunstenaar worden in het museum opnieuw opgevoerd. En dus zitten een man en een vrouw er met aaneengeknoopt haar te kijk, en moet het publiek zich een weg wurmen tussen een naakt stel dat elkaar urenlang strak aankijkt.

Maar het indrukwekkendst was wel de jonge vrouw die als een kunstwerk hoog aan de muur hing, compleet naakt, met alleen een paar voetsteunen en een fietszadel als houvast. Ze was fel uitgelicht, waardoor haar lelieblanke huid doorzichtig leek. Alsof ze geen echt mens was, maar een wassen pop, of een marmeren beeld. Natuurlijk, blote mensen kun je overal zien. Maar hier, in het belangrijkste museum ter wereld, maakt de confrontatie met zo’n mensenlijf opeens diepe indruk.