Wie is die vrouw met die donkere krullen toch?

Elisabeth Kostova: Zwanenroof (The Swan Thieves).

Vert. Mariëtte van Gelder. Mouria, 540 blz. € 19,95 **

Psychiater Andrew Marlow krijgt via een vriend een mysterieuze patiënt toegewezen. Robert Oliver, een bekende schilder, is in de National Gallery van Washington betrapt met een zakmes; hij stond op het punt om een schilderij te vernielen. Sinds zijn arrestatie en vrijwillige opname in een inrichting doet Oliver er het zwijgen toe. Hij oogt getergd en depressief. Marlow, zelf amateurschilder, raakt door hem gefascineerd en neemt zich voor om Olivers bijna-misdaad te verklaren.

Zwanenroof, de opvolger van Elisabeth Kostova’s succesvolle debuut De historicus, begint als een detective: Marlow ondervraagt Olivers ex- vrouw en ex-vriendin, en laat een stapeltje oude, door Oliver gekoesterde Franse brieven vertalen. Wat zich vervolgens langzaam ontvouwt, is meer een liefdesgeschiedenis dan een whodunnit. Kostova heeft waarschijnlijk beide willen schrijven, maar in spanning opvoeren is ze geen ster.

Waar ze wel goed in is, is het minutieus ontleden van verliefdheid, van het verslaafd zijn aan een ander en van de desillusie als die ander niet aan de verwachtingen voldoet. Kate, de ex-vrouw, vertelt Marlow over haar mislukte huwelijk. Oliver is een genie, en een genie als partner hebben is geen pretje. Ze zijn monomaan en egomaan. Alles moet wijken voor hun roeping. Van oudsher hebben vrijwel uitsluitend mannen de vrijheid gehad om zich zo te gedragen – Kostova lijkt zich er op een besmuikte manier kwaad over te maken.

Door haar zwangerschappen en het daaropvolgende solitaire gemoeder voelt Kate zich steeds verder van Oliver verwijderd. Als ze op de schilderijen waaraan hij zo koortsachtig werkt bovendien keer op keer dezelfde vrouw met donkere krullen ontdekt en liefdesbrieven vindt van een vermoede minnares, wordt ze ook nog eens verteerd door jaloezie. Mary, de minnares bij wie Oliver na de scheiding van Kate intrekt, vergaat het niet veel beter. Mary lijdt eveneens onder zijn stemmingen, en ook zij krijgt concurrentie: de vrouw die Oliver zo obsessief portretteert blijkt Béatrice de Clerval te zijn, een laat- 19de-eeuwse Franse schilderes. Ook een beminde overledene kan een relatie verstoren. Zwanenroof is een keurig afgewerkte, keurig geformuleerde roman – en dat is precies het probleem. De rauwe werkelijkheid die zowel Kate als Mary wacht nadat ze voor de geobsedeerde gigant Oliver zijn gevallen, bijvoorbeeld, wordt door Kostova in zulk beheerst, gelijkmatig proza gegoten dat geen van de vrouwen echt tot leven komt. Sterker nog, soms lijkt het alsof alle personages in Zwanenroof, man en vrouw, uit één mond praten. Dat is zonde voor een boek dat het, tijds- en decorwisselingen ten spijt, vooral van de psychologische ontwikkeling van zijn hoofdpersonen moet hebben.

Sandra Heerma van Voss