Welkom, schep hier uw eigen identiteit

Amerika is met woorden tot leven gewekt; immigranten kwamen af op de mythe. Inmiddels is dat niet meer het geval. Een monumentale verzameling essays over de literaire geschiedenis van de VS toont de opkomst en de teloorgang van het woord.

Greil Marcus en Werner Sollors (red): A New Literary History Of America. Belknap Harvard, 1.096 blz. € 48,- (geb.)

Ilan Stavans (red.): Becoming Americans. The Library of America, 724 blz. € 36,-

Thomas Jefferson was een belabberd redenaar. Wanneer de derde president van de Verenigde Staten een gehoor toesprak, sprak hij binnensmonds, zonder vuur en zonder overtuigingskracht. Vaak wekte hij de indruk met zijn hoofd bij zijn zelf ontworpen landhuis Monticello te zijn of bij de slavin met wie hij het bed deelde. Tegelijkertijd was Jefferson als auteur verantwoordelijk voor het meest geciteerde en invloedrijkste politieke document uit de menselijke geschiedenis: de Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. ‘We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.’

Had Jefferson in een verkiezing nu nog enige kans gemaakt? Waarschijnlijk niet. Hij zou het hooguit hebben geschopt tot de tekstschrijver van een mediagenieke kandidaat. Of mogelijk tot een politiek-commentator van het type Robert Kaplan. De macht van Jeffersons pen – een naadloze versmelting van intellect en poëzie – zou in de hedendaagse politieke arena teniet worden gedaan door de eisen van radio, televisie en internet.

Dit kleine gedachte-experiment legt een ontwikkeling bloot die zelden expliciet aan bod komt in het monumentale overzichtswerk A New Literary History Of America, maar die zich in de loop van ruim tweehonderd originele essays langzaam openbaart. Het geschreven woord, doorslaggevend in het creëren van het concept ‘Amerika’, is sinds het begin van de vorige eeuw uit het hart van het culturele landschap verdreven. Is het daarmee irrelevant geworden?

Hoe bepalend literatuur in eerste instantie was, wordt in deze door Greil Marcus en Werner Sollors samengestelde literaire geschiedenis tastbaar gemaakt. Amerika lijkt letterlijk met woorden tot leven gewekt.

Zo schopte een van de eerste schrijvende kolonisten, de Brit John Smith (1580-1631) het van gevangene tot leidersfiguur. En vormden Thomas Paines opruiende pamflet Common Sense (1776) en de Onafhankelijkheidsverklaring de basis van wat Amerika zou worden – ten goede en ten kwade. Ze begiftigden de koloniën met een onweerstaanbaar gevoel van onvermijdelijkheid, schrijft Frank Kelleter, maar veroordeelden die ook tot overdreven utopisme, zelfobsessie en onophoudelijke discussies over hun plaats in de wereld. ‘Aangezien de Verenigde Staten gesticht zijn door de kracht van documenten, teksten en botsende retoriek, is het land voorbestemd een natie te zijn van met elkaar strijdende lezers en hun strijdige lezingen.’

De eeuwige discussie over de Grondwet van 1788, die andere ‘daad van zelf-uitvinding’, is daar een voorbeeld van. Abraham Lincoln, die na de Burgeroorlog (1861-1865) de erosie van de Grondwet onderkende, riep op tot een herwaardering. ‘Laat het de politieke religie van de natie worden’. Sindsdien, schrijft Mitchell Meltzer, is daadwerkelijke kritiek op de Grondwet ondenkbaar geworden. Iedereen beroept zich op het document, met vaak tegenstrijdige bedoelingen. Het laat zien dat het concept Amerika simultaan vastomlijnd en fluïde is. Onwrikbaar in zijn bepalende abstracties, kneedbaar in de praktische uitwerking daarvan.

Vooral in de eerste eeuw van de Republiek speelde literatuur een hoofdrol in het vormen en bestendigen van een Amerikaanse identiteit. De filosofen Ralph Waldo Emerson en Henry David Thoreau, de dichter Walt Whitman, de schrijvers Herman Melville en Mark Twain, en de reisschrijver John Muir wisten Amerika los te weken van Europese tradities en thema’s. Ze voedden een nationaal bewustzijn en stonden aan de wieg van het iconische beeld: weids, dynamisch, individueel, transformatief, primair. Later werd dit beeld uitgewerkt door fotografen, filmers, schrijvers, popmuzikanten en kunstenaars, die er simultaan een eendimensionaal cliché en een nauwelijks te bevatten veelheid van maakten.

De door de literatuur verspreide mythe van de persoonlijke transformatie lokte miljoenen nieuwkomers, en bond ze voldoende samen om ze te kunnen absorberen. Hun verhaal is samengebracht in Becoming Americans, Four Centuries of Immigrant Writing. Samensteller Ilan Stavans – die ook een bijdrage leverde aan A New Literary History – vergaarde memoires van 85 schrijvers uit 45 landen. Europeanen die hun overtocht bekostigden door zichzelf als horige te verkopen, slaven die vanuit Afrika naar de koloniën werden gebracht, religieuze, ideologische en economische vluchtelingen. Het is een bont gezelschap. Naamloze figuren schuiven aan bij Nobelprijswinnaars als Joseph Brodsky en I.B. Singer.

Het moeten heruitvinden van jezelf, schrijft Stavans, is voor de immigrant een onontkoombaar gegeven. En de aantrekkingskracht. ‘Amerika is een natie in wording. Het idee dat mensen zichzelf kunnen reconstrueren tot natie, is vanaf het begin weerspiegeld en bekrachtigd door het geloof dat immigranten hebben in hun eigen reconstructie.’

Hoewel de geschiedenis gewoonlijk geschreven wordt door winnaars, bevat dit boek niet louter verhalen van immigranten die het gered hebben. Zeker de eerste eeuwen van kolonisatie stonden garant voor veel ellende. Later zien we Amerika vanuit het complexe perspectief van de tweede generatie. Terwijl ouders zich binnenshuis nog weleens verscholen in de oude cultuur, of zich juist volledig uitleverden aan de nieuwe, leefden deze kinderen met een dubbel zelfbewustzijn. Zoals Stavans opmerkt, geeft het een bijzonder scherp inzicht in de voortdurende worsteling tussen een oorspronkelijke en geadopteerde cultuur.

A New Literary History en Becoming Americans laten zien hoe literatuur gebruikt werd in de strijd om de identiteit, en hoe de Verenigde Staten gevormd waren buiten het blanke bolwerk om. Indianen, vrouwen en vooral Afro-Amerikanen gaven hun visie op de vorming van Amerika. Dat begon met de populaire slave narratives van de 19de eeuw: autobiografische vertellingen van ontsnapte slaven als Henry ‘Box’ Brown – die zich naar het vrije noorden liet posten in een kist voor gedroogde waren – en Frederick Douglass. Slavenvertellingen waren het gedrukte bewijs dat de ‘zwarte’ een karakter heeft, een mens is met emoties en intellect. En ze spraken daarmee over de grenzen van kleur heen. Samen met een roman als Uncle Tom’s Cabin (1852) mobiliseerden ze verzet tegen het instituut slavernij.

Vaak maakte de ontdekking van literatuur de honger naar vrijheid in een slaaf los. Douglass’ meester verbood hem te leren lezen, omdat alfabetisme hem ‘voorgoed ongeschikt zou maken voor de rol van slaaf’. Douglass schrijft: ‘Deze woorden zonken diep in mijn hart, riepen sentimenten op die daar lagen te sluimeren, en gaven voeding aan een volkomen nieuwe gedachtegang. [...] Vanaf dat moment begreep ik het pad dat zou leiden van slavernij naar vrijheid.’

Het is niet moeilijk Obama te zien als een moderne incarnatie van Douglass, of van W.E.B. Du Bois, in 1909 de oprichter van de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP). Du Bois zag intellectuele ontplooiing als beginvoorwaarde van een zwarte renaissance, en als het tegengif voor het juk van de eigen lage verwachtingen. ‘Het probleem van kleur’, zo voorspelde hij, zou het grootste vraagstuk van de 20ste eeuw worden. Du Bois, de vergoelijkende Booker T. Washington, de pacifistische Martin Luther King en de militante Malcolm X komen allen in A Literary History aan bod.

Het definiëren van een nationale identiteit en het rassenvraagstuk – hoofdthema’s in de literaire geschiedenis – raken zo nauw met elkaar verweven. Het eindpunt is ook met de uitverkiezing van president Barack Obama niet bereikt, getuige zijn eigen speech op 18 maart 2008 over het onderwerp, mogelijk de belangrijkste die hij tot dusver gaf. Een doorsnee week in Amerika brengt ons nieuws over anti-abortusorganisaties die Afro-Amerikanen proberen te mobiliseren, door in te spelen op het idee dat abortus onderdeel is van een langlopende samenzwering om zwarten uit te roeien. Ook lezen we over de oproer rondom ‘raciaal geladen’ opmerkingen van de blanke bluesgitarist en zanger John Mayer, die zich in bochten moet wringen om niet te sneuvelen in het mijnenveld van dit extreem gevoelige onderwerp.

Dat ‘all men are created equal’ zich slecht verhoudt tot slavernij en de segregatie van de Jim Crow-wetten is evident. Maar niet alleen op dat vlak zit er frictie tussen mythe en realiteit, tussen woord en daad. Want bijvoorbeeld haaks op de nationale trots staat de realiteit dat veel Amerikanen juist op lokale schaal leven: in hun county. Voor hen, net als voor ons, is Amerika een abstract idee dat via televisie, krant of internet binnenkomt. State by State (2008), een bundel waarin auteurs van het kaliber Dave Eggers, Rick Moody, Jonathan Franzen en Jhumpa Lahiri hun thuisstaat bewieroken, was niet voor niets een bestseller. De lokale identiteit versus de federale boeman: ook dat is Amerika.

Walter Mosleys essay over hardboiled detectives – een van de beste stukken in A New Literary History – sluit bij die tegenstrijdigheden aan. ‘Van onze gevangenissen tot onze getto's, van de bestuurskamers tot het Oval Office, van gangsta rap tot de Patriot Act, Amerika is hardboiled. Wie vertrouwen heeft is een dwaas. Wie gerechtigheid verwacht, omarmt tirannie. Je achter de vlag scharen staat gelijk aan het steunen van het martelen van mensen, terwijl je in één moeite door je kinderen de Grondwet voorleest.’ Elke mythe, lijkt Mosley te willen zeggen, impliceert een groot verraad.

Maar heeft literatuur nog steeds een rol in de maakbaarheid van de identiteit, zoals dat aanvankelijk het geval was? A New Literary History leest als het verslag van een teloorgang. We lezen veel, maar radio, film en televisie ondermijnen fundamenteel het primaat van het geschreven woord.

De literatuur van nu – er is niet voor niets aandacht voor Philip Roth en Elizabeth Bishop – is van tijdloze kwaliteit. Maar wat is de impact op de maatschappij? De dichtheid die aan literatuur wordt besteed wat de laatste honderd jaar aangaat in A New Literary History is gering. Steeds meer niet-literaire onderwerpen komen aan bod. Films als The Birth Of A Nation, Citizen Kane, Psycho en Deep Throat, ragtime, blues, bebop, rock en folkmuziek, Little Nemo en Mickey Mouse, de ‘Scopes Monkey Trial’, de atoombom, de blacklist in Hollywood, orkaan Katrina en, toepasselijk, Karen Walkers beeldessay over de uitverkiezing van Obama. Teksten met gevolgen vinden we vooral in wetenschappelijke enclaves, maar die gevolgen worden pas duidelijk als ze in andere vormen – cybernetica, medische innovaties, informatietechnologie – doorsijpelen. Wie naar de ‘Amerikaanse eeuw’ kijkt kan slechts de vaak verguisde Beatschrijvers aanwijzen, als gezocht moet worden naar literatuur met een directe maatschappelijke weerklank. Alleen de krantenjournalistiek – met Seymour Hersh’ verslag van de slachting in My Lai en Woodward en Bernsteins reportages over Watergate – heeft zich er enigszins aan onttrokken. Maar ook daarover mag tegenwoordig gesomberd worden.

David Thompson durft het met zoveel woorden te zeggen in zijn essay over Charlie Chaplin: ‘Een van de redenen waarom dit boek essays bevat over films, is dat rond het eind van W.O. I het akelige besef daagt dat literatuur weleens niet genoeg kon zijn.’

Ook in Becoming Americans dringt het beeld van de tanende rol van de literatuur zich op. Zo werden in de beginjaren van de koloniën pamfletten en boeken uitgebracht die Europeanen moesten overtuigen te emigreren, of juist daarvan af te zien. Het zeer kritische verslag van de Duitser Gottlieb Mittelberger staat haaks op de Sichere Nachricht (1683) van Francis Daniel Pastorius, die dezelfde reis maakte en juist in jubelstemming raakte. Het was het literaire equivalent van de reclamefolder versus de cautionary tale. Dit soort teksten bepaalden mede wie er naar Amerika kwamen, en met welke ideeën en ambities. Naoorlogse auteurs daarentegen schreven literatuur over de individuele worsteling, die maatschappelijk hooguit krassen op de huid maakte.

A New Literary History is zonder meer een mijlpaal. Het is een spoedcursus Amerikaanse geschiedenis – literair en anderszins – al valt er onvermijdelijk het een en ander op af te dingen. Elk geschiedenisboek is een reflectie van de tijd waarin het geschreven is, zoals hier blijkt uit een te grote nadruk op de laatste eeuw. Over keuzes kun je twisten – waarom Lieblings boksjournalistiek en niet Watergate? Los daarvan zijn de essays wisselend van aard en gewicht. Vele zijn academisch van toon, met een nadruk op feiten. En vreemd genoeg is er geen apart hoofdstuk gewijd aan internet, terwijl het een opleving van het geschreven woord betekende. Het zou interessant zijn geweest om te reflecteren op de vraag wat er de komende decennia met het medium, en in hoeverre het de identiteit van de Amerikaan vormt, gaat gebeuren.

De beste stukken, daarentegen – vaak geschreven door romanschrijvers – ontstijgen het naslagwerk, en weten door hun literaire aanpak een dieper inzicht te bieden. Zij maken het lezen van deze geschiedenis een waar genoegen. Waarmee A New Literary History of America paradoxaal genoeg niet alleen het afgenomen belang, maar ook de blijvende zeggingskracht van literatuur onderstreept.