Waarom geen gordijn voor het stemhokje?

Naast alle misstanden bij de raadsverkiezingen was er ook een grote ergernis: de stemhokjes zijn veel te open en bieden geen privacy, stelt Marcel Wissenburg.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen ging nogal wat mis: telfouten, met zijn tweeën in een hokje, ronselen van machtigingen, dubbele stempassen en incomplete stembiljetten. Maar er was meer aan de hand. Maurice de Hond bracht naar boven wat de grootste ergernissen van de kiezers zelf waren: de legitimatieplicht, waar vooral ouderen niet aan konden voldoen, en het gebrek aan privacy in het stemhokje.

Dat gebrek aan privacy was de reden waarom ik de burgemeester van mijn woonplaats Nijmegen vroeg de verkiezingen ongeldig te verklaren, een initiatief dat gevolgd werd door Nico Zwanenveld, kandidaat voor ChristenUnie-SGP in Haarlemmermeer. Persberichten hierover bespraken ook een oplossing die ik voorstelde: de terugkeer van het gordijntje voor het stemhokje.

In Nederland worden verkiezingen geregeld in de Kieswet. Artikel J15 van de Kieswet stelt: „Het stemlokaal is zodanig ingericht dat het stemgeheim is gewaarborgd”. Dat houdt in dat het onmogelijk moet zijn dat een ander kan weten op wie de kiezer stemt.

Er bestaat daarnaast een Kiesbesluit dat nadere aanwijzingen geeft. Over het stemgeheim zegt dit besluit alleen iets in Artikel J5, waar wordt geëist dat stemhokjes bestaan „uit een achterwand en twee zijwanden die elk ten minste een meter breed en twee meter hoog zijn”.

Nu bleek dat in veel gemeenten de stemhokjes zó waren opgesteld, dat kiezers in drie of meer aaneengesloten hokjes gestuurd werden, en dat zij met de rug naar de wachtenden in het stemlokaal stonden. Wie meekeek kon zien of het rode potlood naar links, rechts of het midden ging; wie zelf naar een hokje liep kon over de schouder van de buurvrouw kijken. En wie op de Universiteit Enschede stemde, kon zelfs vanaf de balustrade omlaag meekijken in alle hokjes. Het stemgeheim was, kortom, op vele plaatsen niet gewaarborgd.

In een reactie liet het kiesbureau van Nijmegen weten dat men zich aan de wet hield – waarbij werd verwezen naar het Kiesbesluit, artikel J15. Dit roept twee vragen op: is dit juridisch correct? En is het überhaupt wenselijk dat kieshokjes zo open zijn? Het antwoord op beide vragen luidt: neen.

Dat het Kiesbesluit alleen minimum afmetingen voor kieshokjes specificeert, wil niet zeggen dat er geen verdere eisen mogen worden gesteld. Zo zegt het Kiesbesluit ook niets over cameratoezicht in het stemhokje of over inkijk van bovenaf. Terwijl iedereen snapt dat dit niet de bedoeling is. Een kieshokje dat voldoet aan artikel J15 van het Kiesbesluit is dan ook niet noodzakelijk een legaal kieshokje.

Er zijn verschillende oplossingen voor het inkijkprobleem. Je kunt de hokjes zo opstellen dat elk hokje betreden kan worden zonder langs een ander te lopen.

Een andere oplossing is de terugkeer van het klassieke gordijntje. De Kiesraad wees in een reactie op zijn website, waar gemeld werd dat gordijntjes „niet toegestaan” zijn. In een overhaaste reactie liet de Kiesraad weten dat in Nederland ook nooit gordijntjes voor kieshokjes hebben gehangen. (Het is overigens een kwestie die de Kiesraad niet aangaat. Bij gemeenteraadsverkiezingen heeft de Kiesraad geen enkele bestuurlijke rol; hij kan alleen adviseren.)

Het programma Villa VPRO stelde het publiek in staat die claim te weerleggen – wat op overweldigende wijze gebeurde. Er doken vele foto’s van stemhokjes met gordijntjes op: korte gordijntjes, lange gordijntjes, halflange gordijntjes. De aan- of afwezigheid van gordijntjes bleek een lokale traditie: sommige gemeenten deden er wel aan, andere niet.

Het stemhokje is de plek bij uitstek waar burgers vrij kunnen zijn van verleiding, propaganda, ‘peer pressure’ en dwang. In het stemhokje kan de burger kiezen zoals hij zelf wenst te kiezen: als rationele egoïst, als gokker of als vinger Gods. Het stemhokje is bovendien het enige plekje in de democratie waar alle burgers gelijk zijn, gelijk meetellen en gelijke toegang tot de macht hebben. Geen enkel alternatief voor representatieve democratie kan dit bieden.

De afgelopen decennia is ons politiek systeem verrijkt met inspraak- en medezeggenschapsorganen, burgerjury’s, panels, ledenreferenda, enquêtes en wat dies meer zij. Dat mogen allemaal nuttige instrumenten zijn om steun voor beleid te kweken, maar aan democratie dragen ze niet bij. Integendeel. Al deze gespreksvormen geven vooral een forum aan het hoger opgeleide, goedgebekte, geïnformeerde deel van de bevolking met veel vrije tijd. Ze verdelen de toegang tot de macht dus alleen maar ongelijker.

Mijn oproep om de verkiezingen ongeldig te verklaren wegens schending van het stemgeheim heeft voor nogal wat reacties gezorgd. Zo is betoogd dat nieuwe verkiezingen duur zijn en geen werkelijk verschil zullen maken. Misschien is dat waar, maar het blijft bedenkelijk een prijskaartje aan de democratie te hangen: als het te duur wordt, dan maar niet.

Ten tweede betoogde een lid van de Kiesraad (op persoonlijke titel) dat privacy in het stemhokje de eigen verantwoordelijkheid van de burger is: „Je kunt je handbewegingen immers afdekken”. Uitgerekend dit laconieke commentaar bevestigt dat het stemgeheim juist niet gewaarborgd is, maar door de burger veroverd schijnt te moeten worden.

Ten derde betoogden nogal wat burgers geen behoefte te hebben aan privacy in het stemhokje, of stelden ze dat men zich niet hoort te schamen voor zijn stem. Maar het stemgeheim is niet bedacht om mensen te hinderen wier voorkeur te saai voor woorden is, maar om de vrijheid en gelijkheid van iedere burger te garanderen. Het stemgeheim maakt het de atheïst mogelijk om zonder vrees of schaamte in Staphorst te stemmen, de socialist in Wassenaar, de VVD’er in Oost-Groningen en de homo in Reusel.

Op de meest zorgwekkende kritiek die ik kreeg, durf ik niet eens commentaar te leveren: „Als je niet wilt dat mensen weten wat je stemt, dan stem je verkeerd.”

M.L.J. Wissenburg is hoogleraar politieke theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.